Kunst moet het leven voornamer maken; De vrijwillige ballingschap van de Poolse dichter Adam Zagajewski

De geschiedenis trekt een bloeddorstig spoor door het werk van de Poolse dichter en essayist Adam Zagajewski, maar zijn poezie heeft een lichte toon. “Het heeft lang geduurd voordat ik besefte dat ik in een communistische dictatuur leefde.' Maandag houdt Zagajewski de Nexus-lezing.

Het overlijden van de dichteres M. Vasalis was voor de NOS geen reden om groot alarm te slaan en het hele Journaal te wijden aan het verscheiden van een van de grote Nederlandse kunstenaars van deze eeuw. Het nieuws over Kosovo en Pinochet had voorrang. De dichteres werd halverwege het bulletin van acht uur koel en nuchter herdacht met een kort archieffragment en wat nuchter commentaar. Er kwam geen gedicht aan te pas.

Hoe anders ging het er afgelopen zomer aan toe in Polen, toen de dichter Zbigniew Herbert stierf. “Het was breaking news op alle radio- en televisiezenders', zegt Adam Zagajewski (1945), terwijl zijn naieve jonge ogen flonkeren onder zijn zware wenkbrauwen. “Programma's werden onderbroken. Een groot kunstenaar was niet meer. Het Poolse volk rouwde net zoals het begin 1996 massaal had gedaan na de dood van de Rus Joseph Brodsky.'

Zagajewski zal bij zijn dood vermoedelijk eenzelfde eerbetoon ten deel vallen. Hij is de belangrijkste Poolse dichter van zijn generatie. Zijn werk is vertaald in het Engels, Duits en sinds kort ook in het Nederlands. Hij behoort tot de generatie van '68, een groep dichters die rond dat jaar debuteerde met poezie die kritiek leverde op de alledaagse werkelijkheid in hun land. Zijn eerste twee bundels Communique (1972) en Vleeswinkels (1975) brachten hem in conflict met het regime. In het vervolg verscheen zijn werk ondergronds.

Ik ontmoet hem in een regenachtig Parijs, waar hij sinds 1981 woont. We hebben afgesproken dichtbij de Place de la Contrescarpe, aan de rand van het Quartier Latin. Als hij binnenkomt kijkt hij verdwaasd om zich heen alsof hij zich na zeventien jaar nog altijd een vreemde voelt in de stad die in het verleden de halve Poolse intelligentsia onderdak heeft geboden.

Een Poolse dichter in vrijwillige ballingschap, want niet de communistische dictatuur verdreef hem uit zijn vaderland, maar de liefde voor een Poolse psychologe, die al langer in Frankrijk verbleef.

“Ik had aanvankelijk geen enkele reden om mijn land te verlaten. Ik leefde tussen gelijkgestemde vrienden en hoefde niet voor mijn leven te vrezen. De dissidentenwereld was voor mij een gebied waar ik vrij kon ademhalen. Het werd alleen nog maar aangenamer toen de Vrije Vakbond Solidariteit was opgericht. Ineens kwam er een eind aan de neerslachtigheid die de samenleving in haar greep hield. Solidariteit was de vonk die de boel deed exploderen. Er kwam een grote hoeveelheid positieve energie vrij die nieuwe moed gaf, ook al dacht iedereen dat het communisme nog wel zo'n honderd jaar zou bestaan.'

Minachting

In het ouderlijk huis van Zagajewski werd altijd al met veel minachting over de communisten gesproken. De Zagajewski's behoorden tot de ouderwetse intelligentsia van Lwow. Het waren juristen, (hoog)leraren en notarissen. Ze leidden het comfortabele leven van de bourgeoisie, dat in 1945 wreed verstoord werd toen de Russen Oost-Polen annexeerden en de bevolking van Lwow verdreven. De Zagajewski's belandden in Silezie, dat voor de oorlog aan Duitsland had toebehoord. De schoonheid van het exotische, barokke Lwow maakte plaats voor de grauwe betonnen flats en fabrieken van het industriestadje Gliwice. Lwow bestond in het vervolg alleen nog maar in hun dromen en gedachten. Die familiegeschiedenis werd de schatkamer van Zagajewski's poezie.

“In de herinnering van mijn familie was Lwow een magische stad', zegt Zagajewski met zijnn hoge, breekbare stem. “Ze verlangden er onafgebroken naar.

Het was de grote legende van mijn kindertijd. Ons huis hing vol met schilderijen, foto's en plattegronden van die stad. De eerste jaren na de oorlog had vooral de generatie van mijn grootouders nog de illusie dat ze terug zouden keren als de grens tussen de Sovjet-Unie en Polen maar eenmaal was herzien. Natuurlijk wisten mijn ouders dat dit nooit zou gebeuren. Mijn moeder moest dan ook verschrikkelijk huilen toen ze in Gliwice kwam.'

De herinneringen aan een wereld van weleer, die Zagajewski zelf van horen zeggen had, vormen een belangrijke basis voor zijn gehele werk. Alles van Lwow werd heilig. “Mijn familieleden leefden in hun fantasie. Ze bewoonden een kunstmatige wereld die alleen in hun verhalen en gedachten bestond. Zo hebben ze mij iets meegegeven: het gevoel dat de echte wereld niet alles is, dat er ook nog een transcendente wereld bestaat, en juist daar vind ik mijn inspiratie. Toen ik een jaar of tien was had ik het nog niet door, maar later ben ik gaan beseffen dat hun verhalen me hebben ingewijd in de wereld van de kunst.'

De Zagajewski's hielden zich verre van alles wat naar communisme riekte. En hun meeste vrienden en kennissen stelden zich net zo op zoals zij.

“Ik kende bijna geen communisten. Mijn vader is nooit lid van de partij geweest. Hij was zich heel bewust van zijn onafhankelijkheid. Mijn familie leefde in een onaantastbaar stamverband. En voor die stam was de katholieke kerk veel belangrijker dan het communisme. Het heeft daardoor lang geduurd voordat ik besefte dat ik in een communistische dictatuur leefde. Als kind interesseerde dat me niet. Er bestaat geloof ik zoiets als een intrinsieke vreugde van de kindertijd, waarbij alles wat je voor het eerst ziet even opwindend en aangenaam is.'

Eenmaal in Parijs ontmoette hij in 1985 een andere balling: de Russische dichter Joseph Brodsky, die zo onder de indruk was van zijn gedichten dat hij ze in het Engels liet vertalen. De beide dichters mochten elkaar vanaf hun eerste ontmoeting. Ze deelden een verleden in een totalitaire staat en hadden eenzelfde opvatting over de onbetrouwbaarheid van het menselijk geheugen en de geschiedenis. “Volgens Brodsky kon alleen poezie vertellen wat er in het verleden was gebeurd. Poezie was voor hem het DNA van de geschiedenis. Ook vond hij dat een gedicht niets met politiek te maken mocht hebben. En daarin verschilt zijn werk fundamenteel van het mijne. Ik heb in de jaren zeventig veel politieke gedichten geschreven. Voor mij is ethiek belangrijker dan esthetische poezie.'

Respect

De geschiedenis trekt een bloeddorstig spoor door het werk van Zagajewski. Dichters als Zagajewski genieten in Polen dan ook veel respect. Ze vertolken de gevoelens van een volk dat al eeuwenlang het slachtoffer is van die geschiedenis. Poezie is er, net als religie, een spiritueel wapen tegen de vreemde overheersers, een medicijn dat vertroosting biedt tegen de ellende van twee wereldoorlogen, drie bezettingen, twee territoriale delingen, deportaties, systematische uitroeiing van een deel van de bevolking, en een communistische dictatuur. Tegelijkertijd is poezie de hoogste uitdrukking van het nationaal bewustzijn. Niet voor niets brak in maart '68 een studentenopstand uit nadat de overheid een gedicht van de 19de-eeuwse vrijheidsstrijder en dichter Adam Mickiewicz had verboden.

Zagajewski's gedichten hebben een ironische ondertoon. Bij hem strompel je niet over de dodenakkers van de geschiedenis, je begeeft je in sprookjesachtige steden, wordt bijna overreden door een Russische tank met een 'gogoliaanse neus' of luistert naar de zwanenzang van een oude uitgebluste Duitse radio.

De geschiedenis is voor Zagajewski de allesbindende kracht, die onafscheidelijk vastzit aan het menselijk handelen, denken en voelen.

“Ik kan alleen dichten op grond van wat ik heb meegemaakt,' zegt hij. “Ik ben 60 kilometer van Auschwitz opgegroeid. Er was zelfs een afdeling van Auschwitz gevestigd in de stad waar ik woonde. Ik kan dat niet zomaar ongebruikt laten. Ik ben nu eenmaal geen Italiaanse dichter, die de Middellandse Zee en de kastelen van Toscane heeft om over te dichten.'

Ook in zijn essays speelt die onlosmakelijke band met het verleden een grote rol. Zo kruipt hij in de huid van een 'foute' intellectueel die tegenover een historicus verantwoording aflegt voor zijn collaboratie met het totalitaire regime. Totalitarisme betekende voor zo'n collaborateur leven, energie hartstocht, een carriere met veel perspectieven voor een jongen uit de provincie. Zijn keuze had niets te maken met moordzucht, alleen met ambitie, de 'grootste passie in het leven'. De collaborateur ziet zichzelf dan ook niet als een verrader, want het leven op zich is al verraad aan de dingen die er echt toe doen.

“Ieder totalitair systeem heeft jonge mensen nodig die het werk doen', zegt Zagajewski opgewonden. “Een dictatuur geeft hun de kans een napoleontische carriere te maken. Ze veranderen in korte tijd van niemand in iemand. Juist daarom is het zo moeilijk om geschiedenis te schrijven en erachter te komen waarom iemand iets heeft gedaan of hoe hij dacht. Als ik vijftien jaar eerder was geboren,' - Zagajewski is van 1945 - “had ik misschien wel voor eenzelfde keuze gestaan en ik zou niet met zekerheid kunnen vertellen wat ik dan had gedaan. Een excuus dat sommige collaborateurs hebben aangevoerd is dat ze handelden in extase.

Met die verklaring kan ik geen genoegen nemen. Kwaad is kwaad.'

Vergiffenis

Zagajewski haalt Isaiah Berlin aan om te onderstrepen dat de mens van krom hout is gemaakt. Bij die constatering kunnen we ons volgens hem dan ook maar beter neerleggen in plaats van het voortdurend te hebben over de perfecte wereld waarin werkelijke vergiffenis voor de 'daders' van weleer mogelijk zou zijn. “Er bestaat geen volmaakte vergiffenis. Het is als met vriendschap. Geen enkele vriendschap is vrij van een zekere vijandigheid. Zelfs op je beste vrienden kun je jaloers zijn, als ze bijvoorbeeld meer succes hebben dan jij. We moeten dat maar gewoon accepteren, dat doen die vrienden trouwens ook.'

Als de westerse fellow travelers ter sprake komen is Zagajewski echter minder lankmoedig. Na de val van de Muur hadden ze moeten toegeven dat ze het bij het verkeerde eind hadden en niet net doen of hun neus bloedt. “Ik veroordeel hen niet. Maar het maakt me sceptisch dat maar weinigen durven toegeven dat ze een grote vergissing hebben begaan door de communistische regimes in Oost-Europa te steunen. Ik ben het dan ook helemaal niet eens met hen die ter verdediging van hun houding zeggen dat de Sovjet-Unie iets heel anders was dan Nazi-Duitsland. Ook komen ze niet weg met de bewering dat het communisme een nobele vergissing was. Het communisme is een misdadig regime geweest. En het is schandalig dat linkse activisten in het Westen nooit berouw hebben getoond. Ik kan woedend worden op mensen die nooit verantwoording hebben afgelegd over hun houding in het verleden.'

In zijn vroege werk rekent Zagajewski af met de wereld waarin hij is opgegroeid. Eenmaal in Parijs gaat hij een nieuwe richting op.

Zijn gedichten krijgen iets lyrisch en associatiefs. De actuele werkelijkheid verdwijnt naar de achtergrond. In het vervolg probeert hij te benoemen wat niet direct zichtbaar is. Zo wil hij inzicht krijgen in de onzegbaarheid van schoonheid en probeert hij de emoties onder woorden te brengen die een tv-programma over de shoah, de schaduwwerking van een schilderij van Rembrandt of de eeuwige begrafenisstemming op Schiphol bij hem oproepen.

Subliem

In de lezing, die hij aanstaande maandagavond in Tilburg houdt, laat Zagajewski het verleden voor wat het is en richt hij zich op de moderne wereld. Centraal in zijn betoog zal de vraag staan of het mogelijk is om in de huidige westerse samenleving een subliem kunstwerk te scheppen.

“In de moderne tijd draait alles om geld en niet om inhoud. Ik zat onlangs in een vliegtuig vol met uitgevers, die het hadden over hun 'producten', terwijl het over boeken ging. Het is maar een voorbeeld van een soort post-communistische werkelijkheid, die weinig ruimte overlaat voor het scheppen van grootse kunst. Het lijkt of iedereen zich ervoor schaamt om zoiets te maken.

“Het is geen reactionaire houding. Ik ben niet, zoals mijn grootvader, tegen alles wat modern is. Maar ik vind wel dat het moderne leven ter discussie gesteld moet worden. We moeten het vorm geven en er op een verstandiger manier mee omgaan. Kunst moet het moderne leven beinvloeden en voornamer maken. Ik ben het niet eens met schrijvers als George Steiner en Borges die menen dat je alleen in een totalitaire staat grootse kunst kunt maken. Een totalitaire staat is iets verschrikkelijks. Een dictatuur is een boze wereld, die voornamelijk leidt tot tweederangs kunst.'

Zagajewski reist tegenwoordig de wereld af voor het geven van lezingen en voordrachten. Zomers geeft hij al jarenlang gastcolleges in Amerika. Het liefst verblijft hij toch in Europa en dan vooral in Krakau, waar hij een tweede huis heeft. “Ik ben een Europees wezen', zegt hij. “Ik hou van het milde klimaat en zelfs van de regen. Ik heb altijd een diep verlangen naar Europa, naar de sporen van het verleden. Als ik in Houston ben, verlang ik altijd naar Parijs maar als ik in Parijs ben verlang ik naar Krakau. En als ik daar eenmaal woon, wil ik misschien wel weer terug naar Parijs.'

De regen in de straten van Parijs is inmiddels opgehouden. We lopen de Boulevard Saint Germain af, voor Zagajewski de mooiste en meest elegante boulevard ter wereld. Het is een ideale route voor een dichter wiens gedichten tijdens urenlange wandelingen tot stand komen. Het genot van een zwerftocht door Parijs weegt echter niet op tegen zijn verlangen om ooit terug te keren naar zijn geboorteland.

“Wat ik in Polen zo fijn vind is dat het mijn geboorteland is en dat er een intelligentsia bestaat die levendig met elkaar debatteert. De intelligentsia is in Oost-Europa en Rusland veel duidelijker aanwezig in de samenleving en er wordt meer naar hen geluisterd. Ze vinden ook dat ze een historische roeping hebben. Het lijkt me heerlijk om weer volop aan dat intellectuele debat deel te kunnen nemen.

“Toen ik onlangs in een kerk in Krakau voorlas kwamen er 1200 mensen naar me luisteren. Er bestaat een echte interesse voor poezie. Misschien heeft het toekennen van de Nobelprijs aan de dichteres Wislawa Szymborska daar wel toe bijgedragen.'

Soms verschijnt Polen in zijn dromen als een democratisch land waar evenwel plaats is voor anachronismen.

Het land lijkt in die dromen nog het meest op Frankrijk, maar dan is er meer ruimte voor religie. Maar wanneer hij definitief terugkeert weet hij niet.

“Iedere morgen tijdens het ontbijt heb ik het erover met mijn vrouw. Zij wil minder graag terug dan ik. Ik begrijp haar wel. Zo gemakkelijk is het niet om Parijs te verlaten. Maar ik ben aan verandering toe na hier zeventien jaar te hebben gewoond. Misschien moet ik wel naar Brazilie of naar Noorwegen.'