Keynes lost Azie-crisis niet op

Bezuinigingen zijn niet essentieel voor het oplossen van nationale of internationale economische crises, meent James Tobin. Soms heeft bezuinigen zelfs een ongunstig effect. Voor een economie in moeilijkheden zijn in de eerste plaats macro-economische herstelmaatregelen nodig.

Een grote muntunie kan politiek en economisch nut hebben, zoals de geschiedenis van de Amerikaanse dollar leert. Of die voordelen kunstmatig in korte tijd te realiseren zijn door regeringen en economieen van diverse signatuur staat echter nog te bezien.

De betrokken regeringen beginnen te vrezen dat die voordelen pas op de langere termijn zullen optreden. Verder begint de vaste wil tot een terughoudend fiscaal beleid te tanen nu de regeringsleiders zich gedwongen zien de aanstaande muntunie te rijmen met de dringende noodzaak groei en werkgelegenheid te stimuleren.

De leden van de Europese Monetaire Unie (EMU) staan hun monetaire soevereiniteit af - vrijwillig, maar desalniettemin. Lidstaten zullen niet langer een individueel monetair beleid of een eigen fiscaal beleid kunnen voeren. Ze zullen schommelingen van de betalingsbalans en de macro-economische gevolgen daarvan niet langer kunnen opvangen met wisselkoerscorrecties - iets wat de Britten in 1992 nog met groot succes hebben gedaan.

Economen die voor de euro pleiten stellen dat wat men met wisselkoerscorrecties kan doen, ook kan gebeuren met aanpassingen van lonen en prijzen. Deze 'remedies' blijken echter slechts zeer langzaam en onnauwkeurig te werken. Intussen zal een sterke euro vereisen dat de hoge rentetarieven hoog blijven, en daardoor zal ook het verlies aan banen, de export en de groei van het BBP hoog moeten blijven.

Gezien de chronische hoge werkloosheid en de matige macro-economische prestaties van continentaal Europa, zouden de Europeanen beter af zijn met lagere rentetarieven en een zwakkere munt. Het is daarom ook onzinnig om valutamarkten te zien, zoals politici vaak doen, als een soort Olympische competitie.

Valuta's en de waarde ervan zijn geen doel op zichzelf maar een middel om economische resultaten van reeel belang te behalen. Hetzelfde geldt voor financiele markten in het algemeen. Financiele mondialisering (in wezen de vrijheid om elke gewenste financiele transactie te verrichten, ongeacht de munteenheden waarin die plaatsvindt of de locaties en de nationaliteit van de betrokkenen) is geen doel op zichzelf. Zij moet met pragmatische maatstaven worden beoordeeld. Een centrale bank, ook de nieuwe Europese Centrale Bank, moet haar rentevoet enigszins onafhankelijk van de tarieven op de wereldmarkt kunnen manipuleren wil zij een monetair beleid kunnen voeren dat aansluit bij haar eigen economische doelstellingen.

Om te voorkomen dat arbitrage interventies van centrale banken tenietdoet, moeten vooral kleine landen obstakels opwerpen tegen ongewenste aan- en verkooptransacties van hun munt. Dat is de belangrijkste reden voor de voorgestelde belastingen op transacties in vreemde valuta's waarover nu wereldwijd wordt gesproken en voor instrumenten zoals Chili's verplichting om extra reserves op buitenlandse depositorekeningen aan te houden. Bescherming tegen extreme vormen van financiele mondialisering is essentieel voor een gezond economisch beleid.

Bezuinigen, thans naar het schijnt het standaardmedicijn tegen instabiliteit van een munt, is dus niet per se van essentieel belang voor het oplossen van nationale of internationale economische crises. Soms heeft het zelfs niet eens een gunstig effect.

Een economie in moeilijkheden heeft behoefte aan structurele hervormingen, maar allereerst zijn macro-economische herstelmaatregelen geboden. Dat dienen de Europeanen goed te onthouden.

Japan is een onbarmhartig voorbeeld: de stagnatie en schoksgewijze recessies daar vloeien voort uit een macro-economisch beleid dat van onvoorstelbare incompetentie getuigt. Japan lijdt aan een vergevorderde staat van 'Keynesiaanse ziekte'. Dat is de ziekte die in de jaren dertig door onbegrip tot de Depressie heeft geleid. In die tijd was de boodschap van Keynes nog nieuw en de beleidsmakers hadden hem nog niet geheel begrepen. De huidige Japanse beleidsmakers kunnen zich niet op onbegrip beroepen. De andere leden van de G-7 (onder wie de Europeanen die zich zouden moeten schamen, want hun eigen beleid is gebaseerd op radicaal anti-Keynesiaanse inzichten) vragen Japan trouwens jaar na jaar om over te gaan op een Keynesiaans beleid.

Japan wordt gebrandmerkt als de zwaarste lijder aan het Azie-virus, maar het beantwoordt niet aan het ziektebeeld. Japan raakt niet door zijn internationale reserves heen. Het heeft geen schuldsanering nodig. Bezuinigingen en persoonlijke offers zijn niet aan de orde. Waar behoefte aan bestaat zijn structureel fors hogere uitgaven in zowel de particuliere als de publieke sector, ja zelfs een begrotingstekort, zowel in de consumptieve sfeer als aan investeringen.

Alle besparingsmantra's moeten de kast in totdat een opverende Japanse economie de winstverwachtingen en de investeringen weer op peil heeft gebracht.Gezien de schade die Japans rampzalige macro-economische resultaten hebben toegebracht aan Azie en de rest van de wereld, gekoppeld aan het gebleken onvermogen van Japanners om plezier te beleven aan het uitgeven van geld, zou de Japanse regering misschien eenzijdig hoeveelheden yens moeten overmaken naar andere Aziatische landen, of naar arme landen over heel de wereld, voor ontwikkelingsprojecten en armoedebestrijding, met als enige voorwaarde dat het geld in Japan wordt besteed.

Het is interessant te zien hoe 's werelds financiele elites zelf terugschrikken voor het onbehaaglijke maar cruciale Keynesiaanse advies dat ze Japan thans geven - ze veranderen van onderwerp en beginnen over financiele hervormingen: een 'Big Bang'-deregulering van Japans financiele instellingen en sanering van de half biljoen dollar aan niet-invorderbare leningen in de boeken van de Japanse banken. Dat is de vertrouwde retoriek van offers brengen en pijn lijden. Deze hervormingen zijn wel degelijk belangrijk, dat staat buiten kijf.

De Verenigde Staten kennen zelf als goede voorbeelden de Reconstruction Finance Corporation van 1932 en de Resolution Trust Corporation uit de jaren tachtig. Maar het is een vergissing te denken dat de Japanse catastrofe is veroorzaakt door problemen in het bankwezen, of dat de oplossing ervan de welvaart terug zal brengen. Het spook van Keynes waart door Europa en Japan.