In de nabijheid van 's werelds koelbloedigste brein; Over Sherlock Holmes en zijn onwillige schepper

Toen Conan Doyle besloot om zijn schepping Sherlock Holmes te laten overlijden, ging men in Engeland met rouwbanden om naar het werk. De lezers hielden nog meer van Holmes en Watson dan de schrijver. En dat terwijl de beide helden hun mooiste avonturen buiten de boeken beleefden.

Bij het bezoeken van huizen waar grote schrijvers ooit woonden en werkten, wil ik altijd dat de aanblik van hun tastbare omgeving mij op slag meer zal doen begrijpen van de magie van hun werk. Om die reden ging ik naar Groombridge, een gehucht op de grens van Kent en East-Sussex. In een buitenhuis aldaar, Groombridge Place genaamd, was Sir Arthur Conan Doyle (1859-1930) de laatste twintig jaar van zijn leven vaak te gast. Na zijn dood werd op het terrein het tuinhuisje nagebouwd waar hij, in het nabijgelegen Crowborough, een groot aantal van zijn Sherlock Holmes-verhalen schreef.

In het huisje, een gelambrizeerde kamer groot, staat onder meer het verbazend kleine eikenhouten bureau waaraan Conan Doyle werkte. Ik ben er een tijdje met ingehouden adem achter gaan zitten. Ik vroeg me af of ik het glazen inktstel zou durven ontvreemden. Ik betreurde het dat de bureauladen op slot waren. Ik merkte, kortom, al vrij snel dat ik een interessante zaak voor Sherlock Holmes zou kunnen worden. Hij zou all over the place bewijzen tegen mij vinden, bewijzen die natuurlijk weer waren ontsnapt aan de aandacht van zijn trouwe Watson. Belerend en scherpzinnig zou hij aan zijn deductie beginnen met de woorden: “Elementary, my dear Watson!'

Er zijn veel redenen waarom de avonturen van Sherlock Holmes zulke hartverwarmende lectuur vormen. Het zijn spannende en vaak geestige verhalen, de schurken krijgen onveranderlijk heel bevredigend hun trekken thuis en de voorbije wereld van ratelende huurrijtuigjes, nederige bedienden en het telegram als snelste communicatiemiddel is zo geruststellend en knus. Bovenal zijn Holmes en zijn onafscheidelijke metgezel Dr. Watson geweldige personages: de een ijdel, excentriek en geniaal, de ander bescheiden en altoos wat naief.

Daarmee is evenwel nog niet verklaard hoe het toch komt dat deze personages vrijwel van meet-af-aan door het publiek werden beschouwd als lieden van vlees en bloed. Toen zijn eigen creatie Sir Arthur Conan Doyle in 1894 de keel uit begon te hangen en hij Holmes in The Final Problem besloot te laten sneven in de handen van zijn aartsvijand professor Moriarty ('the Napoleon of crime') was Londen in rouw gedompeld. Mensen gingen met zwarte banden om hun mouw naar hun werk. De publieke ontreddering was zo groot dat Conan Doyle zich genoodzaakt zag Holmes uit de dood te laten herrijzen. Na deze reanimatie bleef de detective nog 23 jaar lang aan zet. Zelfs de auteur sprak op het laatst bijna over hem als over een echt mens, die met zijn sluwe streken de erkenning van Conan Doyle's serieuze literaire werk in de weg stond.

Perzisch muiltje

Tot op de dag van vandaag blijft Holmes balanceren op de grens tussen feit en fictie. Recentelijk vroeg het Britse tijdschrift Country Homes and Interiors aan de schrijfster June Knox-Mawer met welke historische figuren zij graag zou dineren, waarop zij Amelia Earhart en Sherlock Holmes noemde. En in Londen schijnt er nog altijd koortsachtig door bezoekers te worden gezocht naar het adres 221B Baker Street, waar Holmes en Watson domicilie hielden.

Daar placht Holmes gekleed in zijn huisjasje, zijn beroemde pijp te stoppen met tabak uit een Perzisch muiltje, daar kloeg hij over de teloorgang van de waarlijk creatieve misdaad, speelde hij op zijn viool, ontving hij de onnozele halzen Gregson en Lestrade van Scotland Yard die zonder zijn hulp verloren zouden zijn geweest. Daar verdiepte hij zich in de studies die hem in staat stelden aan de as het merk van een sigaar te herkennen of 75 verschillende soorten parfum te onderscheiden.

Watson hanteerde ondertussen de zilveren koffiepot, opende de ochtendpost of maakte zich zorgen over zijn oude Afghaanse oorlogswond - die zich vreemd genoeg eerst in zijn schouder en vervolgens in zijn been bevond. Er is trouwens nog iets wonderlijks met Watson aan de hand: na het smartelijke overlijden van mrs. Watson, waarover wij vernamen in The Adventure of the Empty House, moet hij buiten ons medeweten om opnieuw een poging in de liefde hebben gewaagd, want in The Adventure of the Blanched Soldier is er wederom sprake van een mrs. Watson, over wie wij verder helaas geen cent wijzer worden gemaakt.

Vreemd genoeg verhogen deze inconsistenties het element van levensechtheid. In de werkelijkheid rapporteren mensen ook vaak hoogst tegenstrijdig over hun klachten en kwalen, en wisselen zij eveneens en soms met verbazend gemak van partner. Dat Watson op vrijersvoeten ging toen wij er even niet bij waren, is des te aannemelijker omdat we immers weten dat Holmes en hij er buiten de letteren een heel eigen leven op nahouden. Ze refereren voortdurend aan avonturen die ze achter onze rug hebben uitgehaald. In smakelijke onderonsjes die de lezer doen watertanden van verlangen babbelen ze over ons onbekende zaken, zoals van de onfortuinlijke Madame Montpensier, die werd aangeklaagd wegens de moord op haar stiefdochter Mademoiselle Carere, een jongedame die zes maanden later getrouwd en wel in New York werd aangetroffen.

De ware Sherlockiaan stampvoet van frustratie als hij beseft wat hij allemaal heeft gemist. De zaak van 'Wilson, de notoire kanarie-trainer', bijvoorbeeld. Of die 'verschrikkelijke kwestie rond het Nederlandse stoomschip Friesland, die ons beiden bijna het leven heeft gekost'.

Het verhaal van 'de politicus, de vuurtoren en de meeuw'. De 'hoogst eigenaardige affaire van de aluminium kruk'.

Al deze verwijzingen maken dat wij melancholiek constateren dat Holmes en Watson buiten de pagina's niet alleen hun eigen gang gaan, maar juist dan hun beste momenten beleven. Talloos moeten de nachten zijn waarin Watson ontwaakt omdat Holmes met een kaars zijn slaapkamer binnenstormt en uitroept: “Come Watson, come! The game is afoot!'

Verwaand

Ik heb het sterke vermoeden dat het onder meer ligt aan het zinspelen op deze buitengaatse activiteiten dat de authenticiteit van Conan Doyle's personages zo groot is. Het is overigens de vraag of hij daar zelf gelukkig mee is geweest. Hij lijkt tenminste zijn uiterste best te hebben gedaan om Holmes in de loop van zijn avonturen een toontje lager te laten zingen door hem steeds onsympathieker af te schilderen en hem haast tot een karikatuur van zichzelf te maken. Maar helaas, hoe verwaander en pedanter de detective wordt, des te meer lijkt hij juist zichzelf te zijn. Nooit is hij meer op dreef dan wanneer hij de goede Watson in volkomen gemoedsrust toevoegt: “Some people without possessing genius have a remarkable power of stimulating it. I confess, my dear fellow, that I am very much in your debt.'

De toewijding van Watson wordt er niet minder door. Hij is geen doetje, hij heeft zijn momenten van rebellie. In The Hound of the Baskervilles bijvoorbeeld, geeft hij zich over aan een norse bespiegeling over de neiging van Holmes om zijn omgeving te domineren en met zijn brille te overrompelen. Een ware beproeving, vindt Watson. En laten we ook niet vergeten dat hij het was die zijn vriend, door subtiel te zeuren bijna zoals echtelieden dat doen, van diens cocaine-verslaving afhielp.

Het is verleidelijk om te zeggen dat Watson op deze momenten op z'n echtst is, net zo goed als Holmes bijzonder overtuigend overkomt, wanneer hij op Watsons zenuwachtige dadendrang geergerd en neerbuigend reageert met de woorden: “Your instinct is always to do something energetic.' De ogenblikken van wederzijdse irritatie dragen zeker bij tot ons leesgenot, maar in feite krijgt Watson het meest gestalte door het tegenovergestelde: door zijn bodemloze vermogen Holmes naar de ogen te zien. Hij heeft de gave der bewondering, een zeldzame eigenschap, maar wel een die nou net bij uitstek behoort tot de beste uit het menselijk repertoire. Waar Conan Doyle misschien, bewust of onbewust hoopte ook de volgzame Watson te karikaturiseren, bereikte hij het tegenovergestelde. Door zijn onvoorwaardelijke verering rijst Watson levensgroot van de pagina's op, en verdient daar op zijn beurt onze bewondering mee. Hij krijgt het voor elkaar dat wij hem niet als een onderdanige hielenlikker of een nitwit van een aangever beschouwen, maar als een bevoorrechte sterveling die terecht geniet van het onschatbare privilege te mogen vertoeven in de nabijheid van 's werelds koelbloedigste brein. Ons zou Holmes niet eens zien staan.

Huurrijtuigje

Niet alleen op psychologisch niveau zijn Holmes en de dokter dus voortreffelijk, hun avonturen winnen nog eens aan zeggingskracht doordat die zich op een echt en herkenbaar toneel afspelen. Dat lijkt een detail, maar het is les een voor de aankomende schrijver: situeer je verhaal in de bestaande werkelijkheid, en je hebt de helft van de buit automatisch binnen. Het scheelt ook een hoop moeizame beschrijving. Zodra we lezen dat het tweetal in het onvermijdelijke huurrijtuigje dwars door Londen naar Charing Cross dendert, zien we vanzelf de hele setting voor ons.

Maar bovenal geloven we in Charing Cross, en dus in de belevenissen die zich daar gaan afspelen: als we ons op Charing Cross bevinden, bevinden we ons immers midden in de werkelijkheid.

Conan Doyle buit dit effect ook anders uit, opnieuw al dan niet opzettelijk door voor de verhalen die buiten Londen spelen, vaak eveneens bestaande locaties te kiezen. The Hound of the Baskervilles bijvoorbeeld, situeerde hij in en rond een landhuis van vrienden, Clyro Court genaamd. The Valley of Fear speelt zich af op de al genoemde buitenplaats Groombridge Place. Ofschoon de huizen in de bewuste boeken een andere, verzonnen naam hebben gekregen, ademen ze op papier beide die onmiskenbare sfeer van levensechtheid die alleen de werkelijkheid vermag aan te leveren.

Nu was Conan Coyle zelf ook een man die meestentijds heftig in de werkelijkheid verankerd zat. “What other man led a fuller and heartier and more masculine life?', vraagt Christopher Morley retorisch in de Penguin-editie van het verzamelde werk. Totdat een van Sir Arthurs zoons voortijdig zou overlijden en de auteur een aanhanger van het spiritisme werd, was hij vermaard om zijn golf, cricket, biljart en zelfs om zijn bijdrage aan de walvisvaart. Hij deed daarnaast aan boksen, skien scherpschieten en voetballen, en in 1912 stond hij aan het hoofd van het British Olympic Committee ter voorbereiding van de Spelen in 1916, die vanwege de Eerste Wereldoorlog geen doorgang vonden.

Niet alleen op het gebied van sport was Conan Doyle opmerkelijk veelzijdig. Hij vond de voorloper van het reddingsvest uit, hij bedacht 'Dad's Army', het vrijwillige leger van reservisten, hij lanceerde het idee dat de gevolgen van echtscheiding bij de wet geregeld moesten worden, hij maakte zich sterk voor tal van goede doelen en hij bepleitte al in 1913 de aanleg van een tunnel onder Het Kanaal.

Tot zijn vrienden behoorden Rudyard Kipling, Harry Houdini, Winston Churchill, Oscar Wilde, Theodore Roosevelt en Douglas Fairbanks. Beroepsmatig was hij scheepsarts, chirurg, huisarts oogarts, oorlogscorrespondent, parlementskandidaat, sportjournalist - en de schrijver van zeventig boeken naast zijn zestig Sherlock Holmes-avonturen.

Armoede

Conan Doyle bedacht zijn beroemde detective toen hij in 1881 in Londen een praktijk als oogarts was begonnen en tevergeefs op patienten zal te wachten. Het eerste jaar verdiende hij slechts ú 154. Volgens een beroemde anekdote kreeg hij destijds zijn ingevulde belastingpapieren teruggestuurd met de woorden Most Unsatisfactory erop. Conan Doyle retourneerde ze weer, met de mededeling I entirely agree. De armoede beu verzon hij zijn eerste detectiveverhaal A Study in Scarlet. In deze geschiedenis werd een cruciale rol vervuld door een personage over wie wij verder nooit meer iets zouden vernemen maar die door iedere Sherlockiaan tot op de dag van vandaag in het hart wordt gedragen: een zekere jonge Stamford.

Deze Stamford, God bless him, brengt Watson, net gewond en wel uit Afghanistan teruggekeerd, in contact met een studiegenoot die iemand zoekt om woonruimte mee te delen. Die studiegenoot blijkt Sherlock Holmes te heten en bezig te zijn zijn scheikunde bij te spijkeren. Als hij de verbaasde Watson uitlegt dat hij detective is, zegt de brave dokter: “You remind me of Edgar Allan Poe's Dupin. I had no idea that such individuals did exist outside the stories.'

Hier, op pagina 24 van zijn eerste verhaal, steekt Conan Doyle als het ware al een spade in zijn eigen graf. Holmes (die Aristide Dupin trouwens meteen gebelgd afdoet als 'a very inferior fellow') en Watson kennen elkaar nog maar vijf minuten, en er is reeds sprake van een andere realiteit dan die van het verhaal.

Het zat er toen al dik in dat de beide personages zich ooit zonder veel moeite onder de duim van hun schepper uit zouden wurmen.

Ach, we weten wel dat Conan Doyle vaak genoeg heeft geprobeerd de geest terug in de fles te krijgen. Hij beweerde dikwijls dat Holmes' unieke talenten, technieken en hebbelijkheden in feite gewoon waren gebaseerd op die van een professor bij wie hij zelf in Edinburgh medicijnen had gestudeerd: een man die de vreemdste deductietechnieken toepaste om tot een diagnose te komen. Maar wat is weten? Holmes raakt niet ons verstand, hij raakt ons hart, zoals alle iconen van goed en kwaad dat doen. Het heeft ons nooit verbaasd dat hij springlevend weer opdook uit de Reichenbach Waterval waarin hij door toedoen van de aartsschurk Moriarty was beland - want iemand als Sherlock Holmes kan evenmin sterven als James Bond of Graaf Dracula. Hij heeft het eeuwige leven, ook al is hij sedert 1927 gepensioneerd en houdt hij nu bijen in Devon.

De schurken krijgen onveranderlijk heel bevredigend hun trekken thuis

De ware Sherlockiaan stampvoet van frustratie als hij beseft wat hij allemaal heeft gemist