'Ik wil alleen nog maar hun lichamen terug'

In de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa is de ravage na de hevige regenval van de orkaan Mitch onbeschrijflijk. Duizenden mensen kamperen verdwaasd naast hun woonwijken, die in massagraven zijn veranderd.

Nog dit jaar zou Selvin Perez, een 24-jarige automonteur in de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa, Maria Teresa, de vrouw met wie hij samenleefde en de moeder van zijn driejarig dochtertje Kency, tot zijn officiele bruid maken. Toen kwam 'Mitch'. Nu wacht Selvin tot hij Maria Teresa en de kleine Kency kan begraven. “Ik wil alleen nog maar hun lichamen terug en ze een christelijke begrafenis geven. Meer wil ik niet.'

Een week geleden, op die vreselijke vrijdagnacht toen de orkaan Mitch begon met zijn vernietigende werk in Honduras, hield Selvin samen met een paar buren de wacht op de berghelling in de sloppenwijk Nueva Esperanza. Iedereen wist dat het gevaarlijk was om daar te wonen, maar waar moet je heen? Het waren zelf-geconstrueerde huizen. Van hout en zinkplaten. Eenvoudige huizen, krotten misschien, maar voor de bewoners van Nueva Esperanza ('Nieuwe Hoop') was het wel hun eigen huis.

Nog nooit was de rivier zo hoog geweest als op die vrijdagavond. In de woning van Selvin Perez hadden ook andere familieleden en buren hun toevlucht gezocht vanuit hun eigen, dichter bij de rivier gelegen huizen.

Perez haalt zich de avond voor de geest. Hij praat met zachte stem: “Toen was er ineens een enorme lichtflits als van een fototoestel. Daarna opende de aarde zich.' Allen die onderdak hadden gezocht in zijn woning wisten te ontkomen. Maar Maria Teresa en de kleine Kency werden meegesleurd en levend begraven onder de lawine van stenen en modder. Gisteren markeerden Mexicaanse reddingswerkers de vier plekken die hun speurhonden hadden ontdekt waar zich mogelijk enkelen van de veertien vermisten uit Nueva Esperanza bevinden. Vandaag zou verder worden gezocht.

Verhalen als die van Selvin Perez zijn er legio in Tegucigalpa.

De stad van onbeschrijflijk en peilloos diep menselijk leed. Eerder deze week stond het officiele dodental in heel Honduras op 6.420 en werden nog 5.807 anderen vermist.

Die cijfers zijn veel te exact voor de rauwe werkelijkheid van Tegucigalpa, waar de overlevenden verdwaasd in de straten kamperen naast hun in massagraven veranderde woonwijken.

Niemand weet precies hoevelen er zijn omgekomen; sommigen zullen misschien nooit meer worden gevonden. Dat ze dood zijn lijdt geen twijfel. Dat is op vele plekken in Tegucigalpa te ruiken.

In La Paz is de lijkenlucht overal

Maria Dolores Veliz heeft haar leven nog evenals een gebroken been en een boodschappentas met kleren. En dat is alles wat de straatveegster nog heeft. Haar huis is door de rivier meegenomen op de dag dat ze 57 werd. Met haar linkerbeen in het gips ligt ze op een vuile, geleende matras in een klaslokaal van het Colegio Modelo. De particuliere school is gekraakt door een groep dakloze bewoners van Nueva Esperanza en wordt nu gebruikt als tijdelijk onderkomen. Zestig gezinnen zijn er ondergebracht, in totaal 242 personen, onder wie 139 kinderen.

In elk klaslokaal wonen drie a vier gezinnen hun privacy gemarkeerd door gordijnen en stukjes plastic gespannen aan een draad.

Maria Dolores had voor 'Mitch' al niemand meer op deze wereld, nu heeft ze ook niets meer. 'Ik wil alleen nog maar dat God me een rustige oude dag geeft.' Maar die zal nog even moeten wachten. De eigenaresse van de school heeft de krakers tot zondag de tijd gegeven. Dan moet het gebouw weer worden ontruimd. “Waar moeten we dan naar toe?' vraagt coordinator Policarpo Berrios van de groep krakers. De officiele opvang is vol, de autoriteiten hebben nog niet aangegeven waar er opnieuw gebouwd kan worden.

Vijftienhonderd bewoners van de kleine wijk Nueva Esperanza raakten hun woningen kwijt. In totaal leven in Honduras nu meer dan een miljoen mensen in tijdelijke schuilplaatsen als scholen sporthallen en kerken. Er is behoefte aan voedsel, kleding en medicijnen. En vooral aan drinkwater, nu samen met benzine een van de meest schaarse artikelen in Tegucigalpa.

En omdat niemand zegt waar ze nu naar toe moeten gaan, zijn de bewoners van de 'menselijke nederzetting' La Paz (De Vrede) aan de overkant van de killer-rivier Choluteca, waar Tegucigalpa's tweelingstad Comoyaguela ligt, maar begonnen op dezelfde plek nieuwe onderkomens te bouwen. Tussen de puinhopen van wat eens de sloppenwijk La Paz was, zoeken volwassenen en kinderen naar bruikbare bouwmaterialen voor tijdelijke woningen. Jochies slepen enorme balken tegen de berghelling op. Straathonden en varkens lopen hen voor de voeten. De lijkenlucht is overal; hier moeten nog vele lichamen onder het puin liggen, maar niemand verwacht dat ze er ooit zullen worden weggehaald. De vrede van la Paz is die van het massagraf.

Voorzitter Carlos Humberto Rodriguez (55) van de bewonersgroep van la Paz vond zijn woning 150 meter lager terug dan waar hij destijds had gebouwd. De berg waarop La Paz was gehuisvest, is die vrijdagnacht geimplodeerd nadat het water er als een sluipmoordenaar onder was gekropen. Honderdrieenvijftig woningen verdwenen, een onbekend aantal bewoners vond de dood en meer dan tweeduizend mensen raakten dakloos. “Het gebulder van de berg die instortte was verschrikkelijk', zegt Tulio Ordonez, een oudere inwoner van la Paz. “Het was als het Laatste Oordeel.' Voorzitter Rodriguez, een handelaar in varkens en vis, was op tijd gevlucht.

Nu woont hij midden op straat, met uitzicht op de puinhoop die eens zijn huis was. De varkens zijn in de berm gestald. Zijn vroegere buurman, Jorge Alberto Sanchez, heeft zijn huis grotendeels behouden, maar het staat nu levensgevaarlijk aan de rand van een nieuwgevormde afgrond. De zijkanten zijn weggeslagen, waardoor een inkijkje in de woonkamer mogelijk wordt. Aan een van de muren van afvalhout hangt nog een wandkleed met een voorstelling van Het Laatste Avondmaal. Een paar naakte en vervuilde baby's en peuters - Sanchez en zijn vrouw Evelia hebben zeven kinderen - slapen in de open lucht: het dak van hun huis is ook weg. Die blijven voorlopig waar ze zijn. Net als vele anderen die op die vrijdagnacht vreesden dat wegvluchten een open uitnodiging zou zijn voor dieven en plunderaars om het laatste wat ze hebben ook nog weg te halen.

De intrieste individuele verhalen van de slachtoffers van 'Mitch' in Tegucigalpa onderschrijven het algemene beeld van een land in totale ontreddering, dat schijnbaar doelloos tracht orde te scheppen in de chaos en probeert hoop te ontdekken temidden van wanhoop.

De Hondurese regering heeft een avondklok ingesteld om de vele plunderingen het hoofd te bieden. Op strategische plekken zijn militairen opgesteld. Politieagenten patrouilleren met geweren op motorfietsen. Dat is de poging tot orde.

Op Toncontin, de hopeloos verouderde internationale luchthaven uit de Kuifjesstrips, krijgt de hoop gestalte in een constant komen en gaan van vliegtuigen en helikopters van verschillende nationaliteiten die hulpgoederen naar het zwaargehavende land vervoeren. De gezagvoerder van een Amerikaanse commerciele vlucht vanuit Miami, die gisteren de Hondurese hoofdstad als bestemming had, gaf voor vertrek de opdracht alle vrije plaatsen in de business class op te vullen met dozen waarin gallons drinkwater zaten.

Vele passagiers hadden toen al hun eigen ladingen drinkwater ingecheckt.

De hoop. Dat is de internationale gemeenschap die nu, een week na de ramp, massaal te hulp schiet. De voorraden raken op in Tegucigalpa en de tijd dringt.