Ik spreek als schrijver, niet als mens

MILAAN/ANCONA. Iedereen heeft het recht op verloedering.

Ik was naar Milaan gevlogen om in een taartjeswinkel in de Via Monte Napoleone op dinsdagmiddag half twee een mevrouw te ontmoeten die ik de Soepstengel noemde.

Op de afgesproken tijd zat ze in de taartjeswinkel achter een capuccino.

'Dag Soepstengel', zei ik, 'zoals andere mensen de verf van hun muren krabben, zo krab jij het geld van mijn bankrekening. Maar het is je gegund, want zelf heb je alleen maar lompen.'

En ik gaf haar mijn cadeautjes.

We aten koekjes en dronken verse perensap met champagne. De eerste dag neukten we in de hotelkamer, onder de douche, in de badkamer en we deden een poging in het damestoilet van een restaurant dat was aanbevolen in een gidsje. Tussen dessert en koffie in. Maar die poging mislukte. Voornamelijk omdat mijn rechtervoet de hele tijd tegen de deur beukte, waardoor het leek alsof iemand zichzelf had opgesloten en naar buiten wilde. Een dame had al geroepen: 'Gaat alles goed?'

Wel keek de Soepstengel geinteresseerd toe hoe ik plaste. 'Je plas ziet er gezond uit', merkte ze op.

'Neuken alle mannen hetzelfde?', vroeg ik, want dat soort dingen interesseert me en de Soepstengel kon het weten.

'Jij neukt een beetje als een sprinkhaan', zei ze.

Toen we om een uur of een onze kamer verlieten wandelden we naar een restaurant waar we een uitgebreide lunch gebruikten die tegelijkertijd ook ontbijt was. Daarna voelden we ons zo moe dat we weer naar bed moesten. We sliepen tot we gewekt werden door een kamermeisje dat vroeg of ze onze kamer klaar moest maken voor de nacht. We gaven elkaar veel kleine kusjes.

Zaterdag, tijdens een uitbarsting van ongekende energie besloot de Soepstengel een Nederlandse krant te kopen.

Ze kwam terug met NRC Handelsblad. Ik zat op de grond geleund tegen het bed een boek van Amos Oz te lezen. Plotseling sprong de Soepstengel als een tijger over het bed. In haar hand wapperde de krant. De Soepstengel drukte mijn keel dicht en riep: 'Heb je dit over mij geschreven?' Ze duwde me mijn bijdrage van twee weken geleden onder mijn neus. Over een man die thuiskomt en ontdekt dat er andere sloten op zijn deur zitten en over een poedel.

'Hier staat dat het sop de kool niet waard is', riep de Soepstengel, 'en dat we alleen maar oefenen voor je nieuwe boek. En jij hebt mij een poedel genoemd.'

'Niemand leest die stukjes', zei ik, 'bovendien is het allemaal fantasie.' En ik verdiepte me weer in mijn boek.

'Je gebruikt me' riep de Soepstengel, 'je steelt mijn herinneringen, omdat je zelf geen fantasie hebt. Mijn zus heeft me voor je gewaarschuwd en ze is niet de enige.'

Toen pakte ze mijn bloemetjes-T-shirt van de stoel en rende naar de badkamer.

Ik zei: 'Nog nooit heeft iemand zo heftig op mijn stukjes gereageerd. Wat een triomf. Ik spreek nu als schrijver, niet als mens.'

Na een paar minuten liep ik naar de badkamer om te kijken wat de Soepstengel daar uitspookte. Ze had geprobeerd mijn T-shirt door de wc te trekken, maar de wc had mijn T-shirt net niet kunnen verzwelgen. Ik trok aan haar haren. Haar haren waarop ze zo trots was, haar haren die er tien jaar over hadden gedaan hun huidige lengte te bereiken en die elke dag in koffie, soep en pasta hingen.

'Haal dat T-shirt uit de wc' zei ik, 'ik tel tot drie.'

'Je lijkt net op mijn vader', zei ze 'die zei dat ook altijd. Je bent volstrekt belachelijk.'

Ik trok nog harder.

'Je doet me pijn', zei ze.

Toen haalde ze het T-shirt uit de wc en gooide het als een natte dweil voor mijn voeten.

'Hier', zei ze, 'en dat je zes keer per dag met je ex-vriendin faxt daar heb ik ook genoeg van.'

'Niet ex', zei ik, 'we zijn nog steeds samen.'

Toen gingen we op bed liggen en ik vroeg: 'Mag ik eens kijken als jij masturbeert en je dan kleine kusjes op je voorhoofd geven?'

De Soepstengel keek me fronsend aan alsof ze erachter probeerde te komen of ik het meende of niet.

'Ik wil namelijk een foto van je gezicht maken als je klaarkomt', ging ik verder, 'dat is voor een fotoboek dat ik ga uitgeven De Soepstengel en het orgasme. Zodat ik altijd naar je kan kijken als je klaarkomt.'

De volgende dag gingen we met de trein naar Ancona en vandaar naar Fabriano. We hadden veel te veel bagage bij ons. De trein van Ancona naar Fabriano zou om een voor vier van perron 5 vertrekken. Met alle koffers en tassen sleepten wij ons voort naar perron 5.

Om twee voor vier kwam er inderdaad een trein binnen waaruit zo'n zestig nonnetjes stapten. Het leek wel om speciaal vervoer te gaan. We waren de enigen die instapten, maar dat zegt natuurlijk niets. Wie wil op een donkere zondagmiddag met de trein naar Fabriano?

'Iemand heeft me al gevraagd', zei de Soepstengel, 'hoe is het om een fictief personage te zijn?'

'Oh', zei ik, 'jij bent beter af als fictief personage dan als mens, geloof me, en voor mij geldt eigenlijk hetzelfde. Fantaseren veel vrouwen over grote penissen?'

De Soepstengel antwoordde dat ze had gehoord dat er verband bestond tussen grote neuzen en grote penissen.

'Mag ik je wat vragen', zei ik, 'als jij met een andere man naar bed gaat, mag ik dan stiekem toekijken vanuit de klerenkast?'

'Je bent ziek', zei de Soepstengel, 'in je hoofd.'

'Genialiteit en ziekte liggen dicht tegen elkaar aan.'

Om een voor vier vertrok de trein nog niet. En om vijf over vier evenmin. Maar om tien over vier klopte een man in dienstkleding op het raam. Uit zijn nerveuze gebaren maakten wij op dat deze trein nergens meer naartoe ging.

Weer sleepten wij alle koffers, tassen, kranten boeken en losse spullen naar het perron. Maar omdat het zoveel was moest het in twee etappes. Terwijl de Soepstengel buiten bleef wachten, ging ik nog eens terug om de rest op te halen.

Op dat moment ging de deur dicht.

De trein zette zich langzaam in beweging.

'Au secours' riep ik en klopte op de ramen. Maar dat was Frans, bovendien ging de verlichting uit. De Soepstengel rende met de trein mee, want erg snel ging de trein nog altijd niet.

Ik opende een raam en riep: 'Idioot wat heeft het voor zin achter deze trein aan te rennen, blijf bij de spullen, anders worden die ook nog gestolen.'

Maar zij bleef rennen en riep: 'Als jij beter op de bordjes had gekeken was dit niet gebeurd, je kan niets, nog niet eens een dienstregeling lezen. Schrijven kan je ook niet en al helemaal geen scenario's.'

Toen moest ze het opgeven.

Ik zou ongetwijfeld naar een rangeerterrein worden gereden waar ik misschien wel uren zou moeten wachten. De Soepstengel zou natuurlijk wel hulp halen. Maar hoe maak je aan Italianen duidelijk dat een vriend van je met de helft van de bagage op een rangeerterrein in een lege trein zit? Alles wat ik aan eten bij me had was een pak oude koekjes. Maar toen gebeurde het wonder.

Aan het eind van het perron stopte de trein en reed na enkele seconden stil te hebben gestaan terug, zij het niet meer langs perron 5, maar langs perron 3.

Halverwege perron 3 stopte de trein, ik opende de deur en smeet en schopte mijn bagage naar buiten, uit angst dat de machinist het in zijn hoofd zou halen weer verder te rijden.

Dat een paar tassen scheurden en een plastic zak het geheel begaf, kon mij niets schelen. Zo stond ik op perron 3 temidden van een ongelooflijke hoeveelheid rotzooi. Aan de andere kant van perron 5 stond nog altijd de Soepstengel.

We zwaaiden naar elkaar.