Het woord is weer boek geworden; De nieuwe Bijbelvertaling

Werk in uitvoering. Eerste deeluitgaven van de Nieuwe Bijbelvertaling. Ester Prediker Jona Judit Handelingen. Nederlands Bijbelgenootschap / Katholieke Bijbelstichting 280 blz. fl. 14,95

Alle vertalingen zijn problematisch, maar geen tekst is zo moeilijk te vertalen als de bijbel. Niet omdat het Oudhebreeuws en het koine-Grieks zulke moeilijke talen zouden zijn. En al helemaal niet omdat de inhoud van de bijbel zo onoverkomelijk complex zou zijn. Het probleem is de acceptatie. Of beter gezegd: het probleem van een nieuwe bijbelvertaling is de status van de voorgaande vertalingen. Vorige week verschenen de eerste proefdeeltjes van de Nieuwe Bijbelvertaling, een vele jaren durend project van het (protestantse) Nederlands Bijbelgenootschap de Katholieke Bijbelstichting en hun twee Vlaamse tegenhangers.

In de eerste reacties in de media lijkt afkeer te overheersen, bij ongelovige en christen. Na eerste lezing blijkt de kritiek overdreven. De Nieuwe Bijbelvertaling leest gemakkelijker dan de oude protestantse vertalingen en is tegelijkertijd veel getrouwer aan de brontekst dan de populaire Groot Nieuwsbijbel. Bij de paar teksten die ik nauwkeuriger onderzocht, lijkt ze me ook iets beter dan de katholieke Willibrordvertaling. De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) kan een grote aanwinst worden voor het Nederlandse taalgebied. Zeker gezien de bezwaren tegen de bestaande vertalingen, die vooral om sentimentele of traditionele redenen lijken te worden vereerd. Dat bijvoorbeeld de Statenvertaling een belangrijke vormende invloed heeft gehad op de Nederlandse taal, betekent niet dat hij nog altijd bruikbaar zou zijn als een begrijpelijke weergave van de originele Hebreeuwse en Griekse teksten.

Tot nu toe kregen vrijwel alle veelgebruikte bijbelvertalingen een heilige status: de Griekse Septuagint (alleen het oude testament, ca. 200 v. Chr.), de Latijnse Vulgaat (405 n. Chr.) de Engelse King James-vertaling (1611) de Nederlandse Statenvertaling (1637). Alle werden door de gebruikers al snel beschouwd als 'het originele Woord Gods'. De Hebreeuwse of Griekse tekst speelt buiten een kleine kring van theologen en taalkundigen amper een rol. In feite is het origineel zelfs overbodig geworden, want de vereerde vertaling geeft deze oertekst 'letterlijk' en 'volkomen' weer aldus de vaste overtuiging van velen.

Gelovigen zijn zelden geinteresseerd in taalkunde. Waarom zouden ze ook? Zingen, bidden, uit het hoofd leren, voordragen en aanhoren: door de eeuwen heen is de bijbel veel meer een ritueel doe-boek geweest dan een gewone lees- en studietekst.

Jaar in jaar uit herhaald in kerkdiensten en leessessies, raken de woorden van de vertaling onlosmakelijk verbonden met het eigen geloof. Zelfs de nu zo verheerlijkte Statenvertaling stuitte daarom bij verschijning op verzet, omdat sommige protestanten in de Republiek liever vasthielden aan oudere vertalingen uit de zestiende eeuw. Dat was hun woord van God, niet die nieuwerwetsige Statenbijbel. Maar de kracht van een door kerkelijke autoriteiten bekrachtigde vertaling was groot. Na een halve generatie lang voorlezen had vrijwel iedereen de nieuwe vertaling verinnerlijkt.

Traditie

Het huidige bijbelvertaalproject past volledig in deze traditie: het heeft de steun van de grote kerkgenootschappen, het kost vele miljoenen, het duurt ruim tien jaar en er zijn permanent tientallen vertalers bij betrokken gecontroleerd door nog veel meer meelezers uit vrijwel alle geledingen van kerkelijk Nederland. De vertaling moet de standaardbijbel worden voor het Nederlandse taalgebied, schrijven de initatiefnemers in het voorwoord: 'in gebruik op scholen, voorgelezen in kerken en synagogen, geciteerd in de krant en de literatuur; stof voor meditatie en bijbelstudie, materiaal voor polemiek, inspiratie voor kunstwerken'.

De behoefte aan een nieuwe bijbelvertaling is vooral groot onder protestanten. Weliswaar werd de Statenvertaling in 1951 officieel vervangen door wat toen heette de Nieuwe Vertaling (en sindsdien de NBG'51) maar als vernieuwing is deze vertaling mislukt omdat ze - uit angst voor acceptatieproblemen - behoorlijk dicht bij de oude Statenvertaling is gebleven. De NBG'51 is nu de officiele protestantse bijbel (behalve bij de streng-orthodoxe kerken, die blijven zweren bij 'hun' Statenvertaling).

In de praktijk wordt in veel kerken echter voorgelezen uit de Groot-Nieuwsbijbel 'in de omgangstaal'. Die wordt eigenlijk te vrij geacht voor kerkelijk gebruik maar is wel beter te begrijpen voor wie niet thuis is in de 'tale Kanaans'. In de meeste kerkgenootschappen is na de jaren zestig begrip belangrijker geworden dan ritueel en traditie. Zelfs in streng-orthodoxe kring geven jongeren nu in enquetes grif toe eigenlijk weinig te begrijpen van het taalgebruik in hun Statenbijbel. De katholieken beschikken tenminste nog over de Willibrordvertaling uit 1975, die drie jaar geleden nog ingrijpend werd herzien - natuurlijk onder protest van gelovigen die net gewend waren aan de oudere versie.

In de praktijk van alledag zal de NBV daarom waarschijnlijk vooral concurreren met de Groot Nieuwsbijbel. Het belangrijkste voordeel van de NBV zal daarbij moeten zijn: betrouwbaarheid zonder verlies van begrijpelijkheid. De nu verschenen proefvertaling van vijf bijbelboeken is wat dat betreft veelbelovend. Uit de uitvoerige toelichtingen blijkt dat er bij de verantwoordelijke stichtingen serieus en verstandig wordt nagedacht. Terecht wordt het zolang mogelijk handhaven van de volgorde van de woorden uit de brontekst (waar de Statenvertaling een handje van heeft) afgedaan als 'naief'. Hebreeuwse uitdrukkingen moeten niet letterlijk in het Nederlands worden omgezet. Wat in de brontekst onbegrijpelijk is, moet niet in het Nederlands worden gladgestreken. Ook het genre van het origineel (geschiedverhaal, poezie, voorschriftenlijst) moet in de vertaling herkenbaar zijn.

Toch is in de NBV het evenwicht tussen wat in vertalersjargon heet 'brontekstgetrouwheid' en 'doeltaalgerichtheid' lang niet overal bevredigend.

Een voorbeeld. In de toelichting bij de vertaling van Prediker wordt veel aandacht besteed aan Prediker 11:2. De NBV vertaalt als volgt: 'Werp je brood uit op het water. Heb vertrouwen in de toekomst, want je vindt het later weer terug'. Het probleem is hierbij dat de vertalers het beeld van 'het terugvinden van het uitgeworpen brood' graag willen handhaven, maar bang zijn dat dit voor Nederlandse lezers onbegrijpelijk is. Vandaar het toegevoegde uitlegzinnetje 'Heb vertrouwen in de toekomst', dat nergens in het Hebreeuws staat. De NBG'51 vertaalt net als de Statenvertaling: 'Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen'. Dat 'na vele dagen' is in de NBV terecht vervangen door 'later'. De vage tijdsaanduiding in het Hebreeuws: 'na veel tijd/dagen/jaren' komt daarin beter tot uiting.

Naar mijn smaak zijn de vertalers met dit toegevoegde vertrouwen-zinnetje veel te betuttelend. Waarom dit zo angstvallig vastgelegd? De verzekering dat je het uitgestrooide brood terug zult vinden, is al vertrouwenwekkend genoeg. Het lijkt erop dat de vertalers hier te dicht bij de Groot Nieuwsbijbel zijn gaan staan, die het brood en het water gewoon weglaat en alleen maar kale uitleg biedt: 'Durf risico's te nemen, je kunt er later voordeel van hebben'.

Ten tweede en veel belangrijker: de uitleg van vertrouwen in de toekomst lijkt me nogal eenzijdig. Een oude rabbijnse en alleszins acceptabele uitleg van deze tekst is dat het een aanmoediging is om aalmoezen te geven aan de armen (water is wel vaker een symbool voor de 'menigte' der armen). De opmerking over vertrouwen in de toekomst is daarmee niet in strijd: wie goed doet goed ontmoet. Maar door de toevoeging aan de originele tekst krijgt die een heel andere nadruk.

Nog vreemder wordt het voor wie er de Willibrordvertaling bij pakt. Daar wordt juist twijfel gezaaid over de toekomstige beloning: 'Gooi je brood op het water, na lange tijd vind je het misschien terug'. Hoe de Willibrordvertalers dit 'misschien' verdedigen weet ik niet, maar het maakt in ieder geval duidelijk dat er meer interpretaties mogelijk zijn dan het zorgeloze 'heb vertrouwen'.

Handelingen

Een andere onevenwichtigheid bevindt zich in een befaamde tekst in het boek Handelingen, over de levenswijze van de eerste christenen kort na de hemelvaart van Jezus. De NBV vertaalt Handelingen 4:32 als volgt: 'De groep die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk'.

De kneep zit hem hier in het 'beschouwde'. In het originele Grieks staat hier elegen, van de stam lego (zeggen). Alle andere vertalingen die ik heb nageslagen gebruiken hier dus woorden die te maken hebben met 'uitspreken', 'zeggen'. De NBG'51 bijvoorbeeld: 'En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was een van hart en ziel, en ook niet een zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk'.

Merk overigens op hoeveel moeizamer deze nauw aan de Statenvertaling verwante vertaling leest. De omzetting in de NBV van het Griekse orgineel 'het hart en de ziel een' (e kardia kai e psuche mia, dat de NBG'51 vrijwel woordelijk overneemt) in 'eendrachtig' is goed te verdedigen. Maar in de keuze voor 'beschouwen' in plaats van 'zeggen' wordt er in de formulering een introspectieve betekenis gelegd, die niet door de grondtekst wordt gerechtvaardigd.

'Iets beschouwen als' is nu eenmaal net iets anders dan iets expliciet zo noemen.

Detailkritiek is dus volop mogelijk. Maar in grote lijnen lijkt de NBV een waardig opvolger te worden van de NBG'51 en de Statenvertaling. Bewonderenswaardig is de moed om afscheid te nemen van verouderde standaarduitdrukkingen, zoals in het beroemde begin van het boek Prediker. De Statenvertaling luidt: 'IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid'. De NBG'51 is vrijwel identiek. De Nieuwe Bijbelvertaling schrijft daarentegen: 'Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is maar leegte'.

Dat is om twee redenen beter. Ten eerste wordt in het huidige Nederlands 'ijdelheid' vooral geassocieerd met pronkzucht, niet met nietigheid of vergeefsheid. En ten tweede wordt met 'lucht en leegte' uitstekend de betekenis gevangen van het Hebreeuwse origineel. In de grondtekst staat zoiets als 'lucht der luchten', het Hebreeuwse hebel betekent 'lucht damp, adem'. De NBV is in dit afscheid van ijdelheid radicaler dan de recente Willibrordvertaling, die vertaalt: 'IJl en ijdel, zegt Prediker, ijl en ijdel, alles is ijdel'.

Het huidige voorproefje maakt nieuwsgierig naar de nieuwe vertaling van befaamde bijbelpassages als het scheppingsverhaal, de tien geboden, de Psalmen, de profetieen van Ezechiel en Jesaja en natuurlijk de vier evangelies.