Het rode oortje van Madame X; Aristocratische portretten van John Singer Sargent

Sargent : t/m/ 16 jan. 1999 in de Tate Gallery, Londen De salonschilders van het vorige fin de siecle zijn bezig met een comeback. De portretten die John Singer Sargent schilderde van rijke en ijdele opdrachtgevers zijn nu te zien in de Londense Tate Gallery. Naast het geklungel van hedendaagse collega's is de sensualiteit en virtuositeit van zijn werk een openbaring.

Prins Charles mag deze dagen dan uitgebreid zijn 50ste verjaardag vieren, The Sunday Times herinnerde hem afgelopen weekeinde nog even fijntjes aan zijn bedrogen en verongelukte ex-echtgenote. Op de omslag van de kleurenbijlage staat het geschilderde portret van een vers gekroonde prinses Diana, gekleed in een satijnen avondtoilet, net zo venijnig roze als de pakjes Saroma-pudding van vroeger. Ze kijkt kinderlijk en verlegen, maar ook verleidelijk en slachtofferig.

Niet bekend

Wat we niet wisten is hoe akelig slecht Diana door diezelfde dames en heren is geportretteerd. Elke paparazzi-foto is spannender dan dit verfgeklungel dat door The Sunday Times in kapitale letters wordt samengevat als de '13 Royal Faces of Diana'. Het zijn portrettisten zonder visie, zonder markante penseelvoering of opvallend kleurgebruik. Zonder een origineel compositie-idee en vooral zonder lef. Misschien speelde de zenuwen hen parten, met alle kwastverkramping van dien. Eerder lijkt het op een gebrek aan smaak, kijkkunde en ambachtelijke deskundigheid.

Soms is de prinses, neergezet als de superzus van Barbie, alleen nog aan haar kapsel te herkennen. Op andere 'plaatjes' lijkt Di - tegen een decor dat voor Arcadie moest doorgaan - weggestapt uit het gedateerde affiche voor chemische toiletzeep.

De enige portret-versie die je bijblijft is de laatste, uit 1995: een half in het duister gehuld gezicht, dat door de dieprode wang en door de nerveus oplaaiende witte verftoetsen onwillekeurig aan bloed en glassplinters doet denken. De schilder Henry Mee accentueerde een donkere kant van een vrouw die vreemd genoeg toen ook al letterlijk gewond leek.

Die Sunday Times-bijlage zou snel zijn weggegooid als hij niet op de een of andere manier spoorde met Sargent, een tentoonstelling in de Tate Gallery in Londen. Onder die titel wordt in zeven zalen het werk van de 'Britse Amerikaan' John Singer Sargent opgewaardeerd. De tentoonstelling is een ode aan een 19de-eeuwse salonschilder die wel degelijk wist hoe je een portret moest maken. Ook moet hij een kampioen vleien zijn geweest, die tijdens het vorige fin de siecle genoeg emplooi vond in datzelfde Britse establishment. Vrouwen schilderde hij het best: 'Vrouwen vragen mij nooit of ik hen mooi wil maken', vertelde hij, 'maar je voelt voortdurend dat ze dat graag willen'.

Sargent polijstte de ego's van de dames, badend in voiles en ruisende zijde, en hij maakte de heren met hun verfijnde trekken meer mans dan ze waren. Het fortuin dat hij daarmee verdiende stelde hem in staat zijn minder rijke kennissen en vrienden te portretteren, zoals zijn beste kameraad, de schrijver Henry James. En dankzij zijn ijdele opdrachtgevers kon hij veel en comfortabel reizen.

Vinnig nekje

Zowel in Amerika als in Engeland heeft Sargent triomfen gevierd. Hij verschillende eerbewijzen en prijzen. Maar zijn carriere begon aanvankelijk in Parijs, in een ruim atelier, in gezelschap van Madame X. Ze was een Parijse 'celebrity' van Amerikaanse origine, die als een vleesgeworden marmeren sculptuur van Canova niet vaak genoeg op de Boulevards gezien kon worden.

Sargent, overrompeld door haar schoonheid, wilde haar graag portretteren. Hij tekende haar vanuit alle windrichtingen, worstelde eindeloos met de verf, beklaagde zich in brieven over de lastige huidtint van X. Toen het portret dan eindelijk klaar was en op de Salon van 1884 terechtkwam, brak er een schandaal uit van jewelste, waardoor tout Paris hem in een klap kende.

Want wat had Sargent gedaan? Hij schilderde de jonge bankiersvrouw ten voeten uit, met een scherp profiel, een zwart decollete, een kaarsrechte rug en een vinnig nekje, zo'n nekje dat nadrukkelijk demonstreert dat ze als een kattekop kan uithalen. Tot nu toe lijkt er niets aan de hand, maar toch is in de buurt van het decollete het alarm afgegaan. Sargent had gezellig, en een beetje ordinair, een bandje van de schouder laten afglijden. Eigenlijk maakte Madame X dus al aanstalten om iets echts gezelligs te gaan doen. Dat deed ze ook vaak, met verschillende minnaars, ze kletste er zelfs over, maar om die hobby nou voor de eeuwigheid vast te leggen, nee, dat ging toch iets te ver.

'Mijn dochter is verloren, iedereen lacht haar uit', huilde de moeder van het slachtoffer. 'Ze zal sterven van verdriet', dreigde ze nog. Sargent heeft dat schouderbandje later in verf weer 'opgetrokken' en het portret heeft er kwalitatief niet onder geleden. Madame X is - in verf althans - nog lange tijd beleefd uit het zicht gehouden.

Jaren later, toen het Metropolitan Museum in New York het portret wijselijk aankocht, schreef Sargent dat het het beste werk was dat hij ooit had gemaakt. Het werd in elk geval zijn beroemdste. Aandoenlijk blijft bijvoorbeeld het rode oortje dat hij Madame X heeft meegegeven. Het fungeert als graadmeter voor de hoeveelheid blanke poeder op haar gezicht en schouders.

Misschien gaf de schilder met dat oortje wel blijk van zijn sympathie voor het model, want het is toch vreselijk vermoeiend om je steeds zo bijdehand, assertief en chic als Madame X voor te moeten doen. Dat houdt een mens niet lang vol.

Vraag het maar aan een willekeurige portretschilder: na een paar uur poseren laat elk 'receptie-hoofd' onwillekeurig de gezichtsspieren vieren. En door die ontspanning gaan er meteen zoveel vleselijke zaken zakken - oogleden, mondhoeken, onderkinnen - dat hij of zij meestal een stuk minder aimabel of hoopvol de wereld in kijkt. En de laatste persoon die die oprechte mimiek toejuicht is natuurlijk de portretschilder, want die moet in verf de boel laten meezakken of juist weer optrekken, al naar gelang het visuele incasseringsvermogen van zijn klant.

John Singer Sargent (1856-1925) werd in Florence geboren uit het huwelijk van een Amerikaanse medicus en een Amerikaanse amateur-schilderes. Het gezin had in goede doen in Philadelphia kunnen blijven wonen als de vrouw des huizes niet zo drammerig reislustig was geweest. De familie moest in Europa leven vond zij. Door het kapitaal dat mevrouw erfde, kon haar man ophouden met werken en zo brachten vader, moeder, zoon en twee dochters voortaan de winters in Nice, Rome of Florence door en de zomers in Zwitserland Frankrijk of Duitsland. Er ging niets boven de cultuur van de oude wereld.

Volle penseel

Aangemoedigd door zijn moeder, is John gaan schilderen. Hij studeerde aan de academies van Florence en Berlijn en belandde in Parijs op het atelier van de schilder Carolus-Duran, die hem vooral 'au premier coup' leerde schilderen: zonder tekeningen, exact en doordacht toeslaan op het doek, streek na streek, nat-in-nat, een volle penseel, in familiaire tonen, en dan niet meer zeuren dat je daar later met een andere kwast nog eens over heen wil gaan.

Grondig maakte Sargent zich die directe, levendige methode eigen. En zodoende kon hij met wat pseudo-slordige vegen ons doen geloven dat het een fluitje van een cent was om een in satijn gehulde boterzachte dij gespierd te laten opbollen.

Over de man John Singer Sargent zelf is niet zo veel bekend. Een saaie, lelijke en humorloze man, schreef de een. Een kosmopolitisch figuur, vitaal en vrolijk, groot en sterk, en ook nog muzikaal, vonden anderen. Hij sprak zijn talen, bewoog zich als student al soepel in de Parijse 'haute societe' en kreeg kunstenaarsvrienden onder wie Gustave Courbet, Edouard Manet en de componist Gustave Faure.

Over zijn liefdesleven gaf hij helemaal niets prijs. Vermoedelijk was de vrijgezel Sargent homoseksueel, maar wellicht ook weer niet, aldus de catalogus. Hij werd vaak gezien met oudere, gefortuneerde dames en hij hield er innige relaties met mannen op na. Om compromissen en afhankelijkheid te vermijden, hield hij een bindende relatie verre van zich. Misschien had het zigeneurleven van zijn jeugd hem te weinig voorbeelden van vastigheid en vertrouwen geboden. Vooral met zijn jongere zusje kon hij een leven lang, thuis en op reis, goed opschieten. En hij zou veertig jaar lang bevriend blijven met Isabelle Steward Gardner, de puissant rijke en geestige 'Mrs. Jack', dochter van een geldmagnaat in Boston, die daar een prominent museum heeft nagelaten.

Kort na het debacle met Madame X was Sargent trouwens al uit Parijs vertrokken. Hij vestigde zich in Londen waar de aristocratie maar al te graag van zijn diensten gebruik maakte. Dankzij hun bestellingen trekken nu in de Tate de meest curieuze dames en heren aan de wanden voorbij. Kijk naar de jongeheer en kunstenaar W.

Graham Robertson, die zich in die snikhete zomer van 1894 in opdracht van de schilder moest insnoeren in een dikke, lange overjas. Met dat yoghurt-gezicht van hem dat eeuwig verkouden tegen zijn blauwe jaskraag afsteekt en met die fragiele stok die nog minder steun geeft dan een vulpen, zou elke windvlaag hem als een bierviltje wegblazen.

Of neem die steile Lord Ribblesdale, die vijftiger die groter dan levensgroot staat afgebeeld, en voor wie je alleen al door zijn overrompelend elegante outfit voor de bijl zou gaan. Met een natuurlijk gezag kijkt hij de zaal in, alsof het de Romeinse keizers waren die zijn familie destijds al privileges verleenden. Een paar jaar later zou 'ce grand diable de milord anglais' zoals Parijzenaars Ribblesdale noemden, zijn beide zoons in veldslagen verliezen. In 1902 was dat verdriet nog ondenkbaar, en het is hem aan te zien, zo gezond en zo onverwoestbaar heet deze begunstiger van de National Gallery het publiek tot op de dag van vandaag welkom.

Maar hoe kon Sargent naast al dat 'oude' en 'nieuwe geld' van Londen ook die mooie sterke mediterrane meiden zo sensueel portretteren? Hoe kort en hevig zullen die romances op zijn reizen naar Venetie, Spanje en Corfu zijn geweest? Of zaten die meisjes alleen maar even model - tussen twee glazen wijn door? Een van die mediterrane doeken, 'The Sulphur Match' uit 1882 laat een vrouw in een lange, wijde en ivoorwitte jurk zien, die, in het gezelschap van een harig bohemien-achtig type, achterover met haar stoel tegen de muur leunt. De lege mandfles op de grond vertelt waar die roes en die gewilligheid vandaan komen. De vuurrode shawl op dat ivoorwitte gewaad, haar zwarte haardos en die bijna extatische ontspanning zijn - in 'Grand Manner' op klein formaat - met zoveel flair neergezet, dat zelfs de verf erotiseert.

Society-dons

John Singer Sargent behoort tot de groep van 19de-eeuwse schilders die deze eeuw in Europa nauwelijks meer serieus zijn genomen. Laurens Alma Tadema, James Tissot of William Adolphe Bougereau; ze zijn uit het pantheon verdreven verpletterd door de modernistische kunstgeschiedenis, vond Mariette Haveman in haar boek Het feest achter de gordijnen (1996). En het was onterecht dat die sublieme uitingen van 'decorative leisure' er kunsthistorisch niet meer toe mocht doen.

Bij Sargent zette die neergang destijds al snel in. Men vond hem een schilder die zich wel heel erg veilig in dat dikke society-dons had genesteld. Hij penseelde handig, maar miste het talent om ook maar enige psychologische diepgang op het linnen te suggereren, schreven zijn critici. Zo'n illustrator en dienaar van het geld mocht wel als ambachtsman, maar toch zeker niet als kunstenaar de geschiedenis ingaan.

Na alle triomfen tijdens zijn leven en de drukbezochte herdenkingstentoonstelling in 1926 kwam Sargents werk in fietsenstallingen en kolenhokken terecht. Net als de oud-Romeinse badhuisscenes van Alma Tadema, de schilder die in de winter van 1996 in het Van Gogh Museum werd gerehabiliteerd, kon je in de jaren dertig en veertig voor een prikje een languissante Lady-in-waiting van Sargent aanschaffen.

En inderdaad, sommige doeken in de Tate reiken niet verder dan ambachtelijke virtuositeit. Maar omdat dat een zeldzaam genre is geworden, zal daar binnenkort nog maar weinig op tegen zijn. De Tate Gallery had misschien wel wat strenger mogen selecteren. Een enkel routineus portret had weggelaten kunnen worden, evenals Sargents impressionistische verkenningen in olieverf die niet kunnen tippen aan bijvoorbeeld de Monets, Renoirs, Pissarro's.

En inderdaad, zijn critici hadden gelijk toen ze zeiden dat Sargent geen durfal was, geen vernieuwer dus - wat zo langerzamerhand een melige kwalificatie is geworden. Hij zou zijn 'dames du monde' geen fel blauw of heftig groen halsje hebben durven geven, waar zijn latere society-collega Kees van Dongen zijn hand niet voor omdraaide. Maar hij kon wel veel meer dan alleen duur textiel in verf vertalen. En dat wordt door onder anderen de twee Wertheimer-zussen gedemonstreerd. De meisjes verschillen van elkaar als de seizoenen: zo gulzig en genereus als de een is, zo ingetogen en afgemeten lijkt de ander. Sargent laat de gulzige met een hartelijk gebaar met haar bescheiden zusje pronken. Dat zit wel goed tussen die twee. Beiden dragen trouwens zo'n zelfde decollete als Madame X, want als vrouw ging men in die tijd namelijk met meer de deur niet uit. Het enige grote verschil met Madame X is dat de meisjes joods waren. Antisemitische tendenzen deden vanaf begin deze eeuw portretten als deze lange tijd in het museumdepot verdwijnen.

De familie Wertheimer is een verhaal apart. En dat vermoeden spreekt uit veel van Sargents modellen. Daar geven hun opmerkelijke gezichten aanleiding toe. Maar het komt ook door hun mateloos zelfverzekerde houding, die in brede kring als vanouds jaloezie opwekt, en door hun ambiance van vanzelfsprekende, wereldlijke luxe, die de jet set van toen deelt met de 'sterren van nu' en met een megaster als Lady Diana. Een vrouw die zich vermoedelijk dolgraag aan Sargents blik had onderworpen.

Voor het allermooiste schilderij op deze tentoonstelling, dat trouwens nooit in een kolenhok heeft staan te schimmelen, poseerden vier meisjes in een schemerige Parijse salon.

Het waren de dochters - tussen de vier en veertien jaar jaar oud - van het gefortuneerde echtpaar Boit. Meisjes met lange haren in witte schortjes en zwarte kousen. Ze doen alsof ze elke dag zo'n lange man met een kist en wat kwasten in de hal tegenkomen, met dat verschil dat ze dit keer even moesten blijven stilstaan, en op dat verzoek dan maar op een willekeurige plek meteen gehoor hebben gegeven.

Sargent was nog maar 26 jaar oud toen hij dit grootse, vierkante doek maakte. De compositie is zeer gewaagd, vier dametjes aan de linkerzijde van het linnen, en alleen maar een schim van dat rode kamerscherm, rechts, om het tafereel in evenwicht te houden. De schilder moest ongetwijfeld laten zien hoe bekoorlijk de meisjes waren en de gigantische Chinese vazen naast hen vertellen ook hoe rijk ze zouden worden.

Maar de zusjes Boit stralen ook iets apathisch uit. Al die keurigheid lijkt hun lusten en hun verbeelding al in de kiem te hebben vermoord. Ze zijn te vaak alleen en te gehoorzaam in dat grote huis, weggestopt als kleinoden. De schrijver Henry James had het in verband met de vier ongehuwd gebleven dames Boit over hun 'lack of vitality'. De jonge Sargent voelde dat jaren eerder al aan en kon dat heimelijke verdriet aan de Avenue de Friedland in een schrijnende kleurenpracht vastleggen.