Haken naar de ander

Een paar weken geleden wijdde Kees Fens in de Volkskrant een beschouwing aan Vestdijk, ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag. De nog steeds toenemende 'veroudering' van diens imposante oeuvre schreef hij vooral toe aan een veranderde literatuuropvatting. De meervoudigheid van Vestdijks werk zou niet meer passen in deze, literair gezien, enkelvoudige tijd. Volgens Fens hoef je het hedendaagse proza, op dat van Claus en Mulisch na, maar één keer te lezen, omdat er niets achter of onder zit: geen dubbele bodem, geen verborgen wereldbeeld, geen taalvernuft. 'De prozaliteratuur is, zo lijkt het, nog louter realistisch', stelt Fens gelaten vast. Hier spreekt de vermoeide prozalezer die het allemaal niet meer zo bijhoudt en zich duidelijk beter op zijn gemak voelt als hij het kan hebben over poëzie.

Het is niet waar dat er de laatste jaren alleen nog maar simpel, realistisch proza geschreven zou worden. Ik wil niet beweren dat Vestdijk op grote schaal is nagevolgd, maar er is een flink aantal schrijvers dat moeilijk van realisme beticht kan worden: Wessel te Gussinklo, Kees 't Hart, Kees Ouwens, Ivo Michiels, Charlotte Mutsaers, Paul Claes, Stefan Hertmans, Marie Kessels, Bleker & Elmendorp, Gerrit Krol, Atte Jongstra, Dirk van Weelden, Nanne Tepper, Hafid Bouazza, Willem Brakman, Peter Verhelst, Jacq. Vogelaar, Hans Hansma Marinus of Esther Jansma, om er maar eens een twintigtal te noemen.

Huub Beurskens: Zomer in Montalla. Meulenhoff, 190 blz. ƒ32,90

Als er al iets enkelvoudiger is geworden, dan is dat niet zozeer de literatuur zelf, maar eerder de lezer, het zogenaamde grote publiek vooral, dat bij voorkeur boeken leest die in één keer uit zijn. Het is nog maar de vraag of dat in de tijd van Vestdijk echt anders was. Ik sluit niet uit dat Fens eigenlijk heeft willen beweren dat er steeds minder márkt is voor meervoudige literatuur. Daarin heeft hij, denk ik, wel gelijk.

In een van de verhalen uit zijn nieuwe bundel, Zomer in Montalla, voert Huub Beurskens, ook al niet zo'n realist, een nogal zielige schrijver op. Het oeuvre van deze Albin Blas is respectabel, maar hij heeft nooit met enig boek een tweede druk gehaald, 'laat staan een plaatsje weten te veroveren in een boekentoptien of op een short list voor een prestigieuze literatuur prijs. En als zijn proza al werd besproken, werd het gekenschetst als intricaat (...) en poëtisch.' Beurskens heeft, als ik ook even enkelvoudig lees, wel iets gemeen met deze schrijver, zonder dat er nu een sluitend, ironisch zelfportret is ontstaan. Zijn vorige dubbelroman, Suikerpruimen gevolgd door Het lam (1997) kwam voor op de longlist van de Librisprijs. Verder was vooral zijn poëzie succesvol: hij won er in korte tijd drie prijzen mee, waaronder de VSB-Poëzieprijs. Uit angst, zo lijkt het wel, om net als zijn verhaalfiguur voor al te poëtisch te worden versleten, liet hij deze keer zijn dichtbundels weg uit de opsomming, voorin het boek, van eerder werk.

Poëtisch is dan ook niet de juiste karakterisering van zijn proza, dat nu eens zakelijk klinkt, dan weer laconiek, dat vaak kortaangebonden en spreektalig is, maar soms ook aandoenlijk hompelig. De springerige stijl van Beurskens is niet speciaal iets om bij te likkebaarden, maar ik heb wel een zwak voor het eigenzinnige en ongrijpbare ervan. 'Intricaat' is een beter woord voor hoe hij schrijft, in de betekenis van ingewikkeld.

De vijf verhalen in Zomer in Montalla, een verraderlijk zonnige titel, staan bol van de mystificaties, de persoonsverdubbelingen en het gemanipuleer met tijd. Herlezing verheldert veel, zoals het ook tot voordeel strekt om iets van zijn eerdere werk te kennen, zodat men de eigenaardigheden van zijn verhaalfiguren beter kan plaatsen.

Haag van ironie

Want eigenaardig zijn ze. Achter een haag van ironie, eigendunk en schaamte houden zich romantische geesten op, met grote, onvervulde verlangens. Zij haken vooral naar 'de ander', die verschillende gedaanten aan kan nemen en met wie zij het liefst met huid en haar zouden samenvallen: een vriend, een kunstbroeder, een jonger alter ego, of bijvoorbeeld een Indiaan. 'Indiaan had ik willen zijn maar een verentooi vonden mijn ouders te duur', zo luidt de ontwapenende, maar ook wat sippe openingszin van een van de verhalen. Hij moet zich neerleggen bij de rol van de vijand: de cowboy, met rafels aan zijn kleren, een neppistool en een amateuristisch opgetekende snor. Maar het verlangen naar het Indiaanschap blijft.

Als hij allang volwassen is, de in dit boek cruciale leeftijd van 48 heeft bereikt: de leeftijd van zijn schepper, besluit hij tijdens een verblijf in Amerika, het land van de Indianen tenslotte, zijn kans te grijpen. Met een kippenveer op zijn hoofd en onder het slaken van Indianenkreten wil hij zich op de jonge vrouw storten die al op hem lag te wachten in zijn hotelbed, maar helaas: zij wijst hem ruw af en scheldt hem voordat zij de hotelkamer uit rent onder meer uit voor 'vuile bleekscheet'. De suggestie wordt gewekt dat hij per ongeluk een heuse squaw heeft uitgekozen voor zijn Indianenact.

Dit verhaal klinkt in samenvatting misschien wat kinderachtig, maar Beurskens weet door alle dubbele bodems heen duidelijk te maken dat er echte wanhoop, echte schaamte en een echt verlangen in het spel is: het typische schrijversverlangen vooral om iets dat onmogelijk is toch mogelijk te maken. In drie van de vijf verhalen figureren schrijvers, die veel oog hebben voor het virtuele.

Het blijft in deze bundel niet alleen bij schrijven. We kunnen er ook enkele kunstwerken in bewonderen van kunstenaars die allebei rond hun 47ste op mysterieuze wijze aan hun eind zouden zijn gekomen. De schilder uit het titelverhaal draagt de wat voorlopige naam Prosper Dinges, terwijl in het tweede verhaal ene Bos Harper aan de vergetelheid wordt ontrukt. Ze worden met verve geïntroduceerd, om in de loop van de geschiedenis langzaam weer te verschimmen. De vraag rijst of deze kunstenaars misschien alleen bestaan in het brein van de verteller, die regelmatig 'ik' zegt wanneer er 'hij' had moeten staan, en moeite heeft met het onderscheid tussen werkelijkheid en verbeelding. 'Ik schudde van nee. Of misschien dacht ik alleen maar dat ik dat deed.'

Beurskens speelt hier hoog spel met zijn lezers, want hij neemt ze niet alleen reeds gegeven personages weer af, maar zadelt ze ook op met een probleem: als die schilders niet bestaan, van wie zijn dan die plaatjes in en voorop het boek? Van Beurskens zelf, mag men aannemen, die in het dagelijks leven tekenleraar is en die naast het schrijverschap altijd is blijven schilderen. Het meest spectaculair zijn wel de twee verschillende schilderijen, onderdeel uitmakend van een ingenieuze intrige, die bijna identiek blijken te zijn als het tweede plaatje een kwartslag wordt gedraaid: dan verandert een abstract landschap in een realistisch vrouwenportret.

Niets staat hier kortom vast. Misschien onderscheidt dat Beurskens, samen met al die anderen met intricate neigingen, wel vooral van de enkelvoudige publieksschrijvers. De Vestdijken van deze tijd presenteren geen afgerond verhaal, maar laten het als het ware ter plekke ontstaan om het later desgewenst weer op te kunnen blazen, met alle verwarrende regieaanwijzingen en scènewisselingen van dien. Zomer in Montalla is dus echt een boek voor Kees Fens, en voor andere lezers die er niet van opkijken dat een verhaal zomaar een kwartslag kan draaien.