Ernst Junger: Der Arbeiter, 1932;

Ernst Junger: Der Arbeiter 1982 Klett-Cotta, fl. 27,60 (geb.)

In Herbert Marcuse's One dimensional man wordt de moderne kapitalistische wereld onder meer getypeerd als een 'totale mobilisering' door de techniek. De opstandige studenten die in de jaren zestig met het boek wegliepen, zullen niet hebben geweten aan wie Marcuse dit begrip had ontleend. En ze zouden het vermoedelijk ook niet hebben willen weten. Want Ernst Junger, die in 1930 onder deze titel een geruchtmakend essay publiceerde, was weliswaar een revolutionair, maar niet van linkse signatuur. Anders dan Marcuse riep hij niet op tot verzet tegen de technische wereld; zijn verzet gold slechts de democratie van Weimar met haar liberale 'illusies'. De nieuwe wereld van de totale techniek werd door hem juist geestdriftig begroet, in een roekeloze vlucht naar voren die aan Nietzsches amor fati herinnert.

Achteraf lijken de verschillen tussen links en rechts soms minder groot dan ze voor de tijdgenoten zijn geweest. Maar in de jaren twintig/dertig hoorde Ernst Junger (1895-1998) onmiskenbaar tot het rechtse kamp, waar hij de geestverwant was van 'revolutionaire conservatieven' als Oswald Spengler, Arthur Moeller van den Bruck en Carl Schmitt. In de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog had hij als jong officier kennisgemaakt met een 'elementaire' realiteit van 'vuur en bloed', die in zijn ogen voorgoed een eind maakte aan de comfortabele wereld van voor 1914. Een nieuwe, grimmiger werkelijkheid diende zich aan met een daarbij horende nieuwe mens, waarvan hij in de frontsoldaat het prototype meende te herkennen.

De tijd van de burgerlijke democratie was voorbij, zo betoogde hij in tal van boeken en artikelen. De vrede van Versailles was hooguit een schijnvrede; in werkelijkheid was het verschil tussen vredes- en oorlogstijd komen te vervallen. Ook zonder dat er daadwerkelijk werd gevochten, bevond de moderne wereld zich in een toestand van 'totale mobilisatie' die niemand onberoerd liet. De strijd speelde zich nu alleen af in het dagelijkse leven, waar de techniek - net als tijdens de 'materiaalslagen' van de oorlog - oppermachtig was geworden.

Vandaar dat Junger in zijn belangrijkste boek Der Arbeiter. Herrschaft und Gestalt (1932) niet meer de frontsoldaat aanwijst als de incarnatie van de nieuwe mens, maar de arbeider. In sociaal-economische termen liet deze arbeider zich niet meer definieren, meende Junger. Zijn arbeider vertegenwoordigde geen stand of klasse, maar was een 'type', een nieuw mensenslag dat de techniek droeg als een 'uniform' en zo beantwoordde aan wat hij de 'Gestalt van de arbeider' noemde.

Onder de 'Gestalt' verstond hij een boven-historische vorm of structuur van mythische allure, die mensen en dingen op een nieuwe manier 'stempelde'. In Der Arbeiter is het hem erom te doen de ogen van zijn lezers voor de realiteit van deze 'Gestalt' te openen. De terminologie die hij gebruikte was daarbij van ondergeschikt belang; al zijn woorden waren slechts 'Arbeitsgrosse' die men na de lectuur gevoeglijk weer kon vergeten. Van belang was alleen dat de 'Gestalt' werd gezien.

Om de stempelingen door de 'Gestalt' waar te nemen hoefde men slechts om zich heen te kijken. Want via een 'revolutie sans phrase' zou de burgerlijke wereld al voor een belangrijk deel zijn veranderd in een arbeiderswereld, zonder dat de burgers dit zelf in de gaten hadden. De burgerlijke Gesellschaft werd verondersteld op een maatschappelijk contract te berusten, dat wil zeggen op vrije instemming van de burger. Maar, zegt Junger, men moet eens nagaan welke van de verhoudingen waarin men zich bevindt kunnen worden opgezegd en welke niet. In veel gevallen zal blijken dat een technische 'aansluiting' (en niet alleen op het gebied van gas, licht en elektra) de vrije instemming al lang heeft vervangen.

De moderne wereld is veranderd in een groot mechanisch systeem, waarin stad en platteland amper nog van elkaar te onderscheiden zijn, waarin de kunst is 'gemusealiseerd' en waarin de nieuwe communicatiemiddelen voor een steeds toenemende uniformering zorgen. Overal wijkt het oude en traditionele voor het nieuwe, dat het landschap transformeert met verwoestende kracht en geometrische precisie. Het enige wat er nog aan ontbreekt, is het bewustzijn van deze stilzwijgende revolutie, dat het passieve ondergaan van alle veranderingen zou kunnen omzetten in een actieve heerschappij.

In Der Arbeiter roept Junger het visioen op van een totalitaire arbeidersstaat, waarin het huidige chaotische 'Werkstattenlandschaft' plaats heeft gemaakt voor een ordelijk 'Planlandschaft'. De arbeider zal er leven en werken in wat hij een 'organische constructie' noemt - een ander woord voor het samengaan van mens en machine, waarin een echo te beluisteren valt van de 'mechanische mens met de vervangbare onderdelen' van de Italiaanse futuristen en een aankondiging klinkt van de postmoderne 'cyborg'.

Uit Jungers boek waait de lezer een kille wind tegemoet. Niet alleen omdat voor zoiets als democratische vrijheid geen plaats blijkt te zijn, maar ook omdat geen moment wordt verzwegen dat de omwenteling met grote offers gepaard zal gaan. Ten gunste van een 'heroisch realisme' dient de arbeider alle hoop op conventioneel geluk te laten varen. 'Het diepste geluk van de mens' meent Junger, 'is dat hij geofferd wordt en de hoogste kunst van het bevelen toont de doelen die het offer waardig zijn'.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog noemt Junger in zijn Parijse dagboek Der Arbeiter 'het werk waarin ik het sterkst naar de pool van het collectivisme ben gezwenkt'. Dat mag gerust een understatement heten, maar het geeft aan dat er kennelijk ook nog een individualistische pool bestaat, hoewel daar in 1932 niet veel van te merken was. Het lot van de enkeling is Junger pas weer bezig gaan houden door zijn ervaringen met Hitlers Derde Rijk waarvan het gewelddadige nihilisme zelfs hem te ver ging.

Van dat Derde Rijk heeft men Der Arbeiter wel een angstaanjagend nauwkeurige blauwdruk genoemd. Niet helemaal terecht, aangezien Junger voor zijn visioen een 'planetarische' geldigheid claimde, die zich niet alleen tot Duitsland zou beperken maar de hele aardbol omsloot.

Om die reden kan zijn boek, ondanks sommige wat al te tijdgebonden aspecten, nog altijd indruk maken. Wat Junger laat zien is de totalitaire tendens van elk technologisch bestel, ongeacht de politieke kleur ervan.

In dezelfde richting wijst zijn reactie op de ontvangst van zijn roman Auf den Marmorklippen, die in 1939 door menigeen werd gelezen als een protest tegen de nazi-dictatuur. Volgens Junger stond de tirannieke Opperhoutvester in deze roman echter voor alle moderne totalitaire heersers, en niet alleen voor Hitler. Met zijn revolutionaire verleden blijkt Junger in 1939 te hebben gebroken. Hoewel hij de geldigheid van zijn totalitaire visioen nooit in twijfel heeft getrokken, zien we in zijn naoorlogse werk naast de arbeider ook andere, meer individuele 'typen' opduiken, zoals de 'woudganger' en de 'anarch', die demonstreren hoe er in een totalitaire wereld te leven valt zonder de innerlijke vrijheid prijs te geven.

Aan deze kant van zijn denken is het ongetwijfeld te danken dat Junger na 1945 een Geheimtip heeft kunnen worden in de DDR waar zijn werk hooglijk gewaardeerd werd door een dissidente schipperaar als de toneelschrijver Heiner Muller. In Jungers hachelijke relatie met het Derde Rijk, dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog diende als officier in de Wehrmacht, zal Muller het nodige hebben kunnen herkennen.

Het is niet zonder ironie dat Jungers totalitaire visioen, verborgen in Marcuse's neomarxisme, tegelijkertijd in het westen kon dienen als wapen tegen de 'eendimensionale' wereld van het hoogkapitalisme. Dat onderstreept nog eens de merkwaardige verwantschap tussen extreem links en extreem rechts in het vooroorlogse Duitsland, al zou Junger naderhand met een karakteristieke mengeling van soevereiniteit en arrogantie de hoogste eer niettemin voor zichzelf opeisen. Want, zo lezen we in een interview uit 1981: 'Marx kan wel een plaats vinden in mijn systeem, maar ik niet in het zijne'.