Een dienend mensch

Tanja de Boer en Ton Brandenbarg (redactie) : M.R. Radermacher Schorer 1888 - 1956 Minnaar van het 'schoone' boek De Buitenkant 141 blz. fl 65,-

De uitgever A.A.M. Stols beklaagde zich in 1935 in Het schoone boek, een deel in de reeks De toegepaste kunsten in Nederland van Uitgeversmaatschappij W.L. & J. Brusse, over het gebrek aan Nederlandse boekenliefhebbers die luxe uitgaven willen kopen. De verzamelaar van moderne boekdrukkunst Jonkheer Matthieu Rene Radermacher Schorer was een van de uitzonderingen: vanaf de jaren twintig tot aan zijn dood in 1956 bouwde hij een bibliotheek op van ruim tienduizend delen, waarvan ongeveer de helft nu deel uitmaakt van de collectie van het Haagse Museum van het Boek.

Een boek over een bibliofiel en zijn collectie moet wel goed verzorgd zijn, en dat is het geval: het boek heeft een heldere opmaak en bevat naast fraaie zwartwitfoto's van Schorer en de schrijvers en boekverzorgers waar hij tijdens zijn leven mee te maken had, afbeeldingen in kleur van bijzondere stukken uit de collectie. Schorer was een maecenas zoals die tegenwoordig door het subsidiestelsel niet meer lijkt te bestaan: iemand die op de achtergrond als financier en organisator een belangrijke rol speelde in het culturele leven. Zijn levenslange vriend, de dichter Jan Engelman, noemde hem 'een der meest 'dienende' menschen van de eerste helft der twintigste eeuw.' Naast zijn baan als mededirecteur van de NV Nederlandsche Maatschappij van Brandverzekering in Tiel vond hij tijd om in het bestuur te zitten van organisaties als de Filmliga, het Utrechts Genootschap Kunstliefde en de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst.

Het album amicorum uit 1948, aan Schorer geschonken op zijn zestigste verjaardag, staat vol vriendschapsbetuigingen van onder andere de literatoren Henriette en Adriaan Roland Holst, J.C. Bloem Martinus Nijhoff en Victor E. van Vriesland, de boekverzorgers S.H. de Roos en A.A.M. Stols, beeldend kunstenaars Charley Toorop en Hendrik Wiegersma, en architect Gerrit Rietveld. Zij kenden elkaar van de bijeenkomsten die Schorer vanaf 1928 hield in zijn Utrechtse woonhuis en die hij uitvoerig documenteerde in zijn gastenboeken.

Omdat Schorer in zijn huis ook leden van de Utrechtse adel en stedelijke notabelen ontving, kon hij kunstenaars in contact brengen met potentiele opdrachtgevers en kopers. Zijn rol als maecenas bestond dus vooral uit het aanwenden van zijn invloed en contacten, en zijn bemoeienis met een aantal fondsen die zich bezighielden met steunverlening aan noodlijdende kunstenaars.

Zijn activiteiten als verzamelaar van moderne boekkunst beschouwde Schorer als een 'moderne, democratische vorm van het maecenaat', aangezien hij daarmee het werk van hedendaagse schrijvers en boekverzorgers stimuleerde.

Slechts in enkele gevallen verleende Schorer directe financiele steun; een ervan was de dichter J.C. Bloem. Helleke van den Braber schreef een vermakelijk stuk over de verhouding tussen Schorer en de 'notoir spilzieke' Bloem. De dichter versleet vele baantjes als ambtenaar, en leefde door zijn verlangen naar grote hoeveelheden boeken en drank voortdurend op de rand van het faillissement. In 1939 en 1941 verzocht Bloem Schorer, wiens literaire soirees hij wel eens bezocht, per brief om geldelijke ondersteuning. Schorer, van mening dat 'een bodemlooze put nu eenmaal niet te dempen is', weigerde in eerste instantie. Dat veranderde in 1943, toen hij Bloem tegen forse betaling uit eigen werk liet voorlezen voor een select publiek. Er volgden vele van dergelijke optredens. In 1949 richtte Schorer De Kring der Vrienden van J.C. Bloem op, die de dichter tien jaar lang zou blijven ondersteunen. Ondanks deze moeite schreef Bloem later aan een andere weldoener over Schorer: 'Het is altijd zoo, rijke menschen snappen gewoonweg niet, wat het is, arm te zijn.'

Schorers interesse voor de avant-garde blijkt ook uit het feit dat hij het interieur van zijn huis in 1925 liet ontwerpen door de jonge architect Sybold van Ravesteyn. De ruime, lichte kamers met witte wanden en meubels van glas en staal vormen een passende omgeving voor zijn bibliotheek die voornamelijk de moderne boekdrukkunst uit de periode 1890-1950 bevat. Schorer kocht de productie van vrijwel alle belangrijke Nederlandse bibliofiele persen en uitgevers, zoals A.A.M.

Stols, De Gemeenschap, en W.L. & J. Brusse, waarbij hij zich soms liet adviseren door vrienden als Engelman en Hendrik Marsman. Tijdens de bezettingsjaren bracht hij een grote collectie illegaal drukwerk bijeen, waaronder een groot aantal drukken van H.N. Werkman.

Tijdens zijn leven onderhield Schorer goede contacten met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, die hij zijn collectie wilde nalaten. Hij raakte betrokken bij de plannen van bibliothecaris L. Brummel om een nationaal Museum van het Boek op te richten in het negentiende-eeuwse Museum Meermanno-Westreenianum, en er werd besloten dat Schorers bibliotheek daarin zou worden opgenomen. Na zijn overlijden nam het Museum echter maar 4500 boeken, 'het mooiste gedeelte van zijn bibliotheek' zoals de weduwe Charlotte Radermacher Schorer constateerde, overigens zonder bitterheid.