'De joodse wereld werd steeds kleiner'; Gesprek met Wilhelm Dichter

Wilhelm Dichter : Paard van God. Vert. Gerard Rasch. Uitg. Querido 248 blz. fl 45,-

De Amerikaans-Poolse schrijver Wilhelm Dichter debuteerde op late leeftijd met de roman Paard van God, die behalve in het Engels, Duits, Frans en Italiaans nu ook in het Nederlands verschenen is, vertaald door Gerard Rasch. De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog zijn zelden zo transparant weergegeven. Dichter: 'Ik wilde een nieuwe taal ontdekken, ik wil de lezer hoop geven.'

De roman Paard van God door Wilhelm Dichter (1935) heeft een zeldzaam lichte stijl. Het boek begint zo, in alle eenvoud: 'Mijn grootouders woonden met Milo en Nusia in Wolanka, aan de rand van Boryslaw. Je ging achterom bij hen naar binnen, over de plaats. Daar stond een hondenhok en groeide een boom.'

Het dorp Boryslaw lag in Dichters jeugd in Polen, nu is het de Oekraine. Dichter beschrijft in deze sobere en tegelijk verrassend vernuftige stijl over het leven van joden, Polen Oekrainers naast elkaar. Totdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In 1939 annexeerden de Russen de provincie en voerden er een communistisch schrikbewind. Twee jaar later vielen de Duitsers binnen. Deportaties honger en terreur eisten het leven van bijna de gehele joodse bevolking.

Wilhelm Dichter voert het jongetje Wilek ten tonele. De schrijver is enkele dagen in Amsterdam op doorreis naar Amerika, waar hij sinds de jaren zestig woont. Hij heeft jaren aan het boek gewerkt: 'Elk hoofdstuk is als het ware in cirkels geschreven. Ik wilde eerst tot de kern gaan en vandaaruit de gebeurtenissen opbouwen. Voor de jonge lezers van nu die bijna niets weten over de Tweede Wereldoorlog, wilde ik een nieuwe taal ontwikkelen, die hen niet verlamt of doodslaat met gruwelijke gebeurtenissen. De feiten moesten voor zichzelf spreken. Ik zocht, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, de schoonheid van de taal. Die schoonheid staat dan in contrast tot de aangrijpende gebeurtenissen. Deze mengeling geeft, hoop ik, een grote kracht aan het boek. Misschien is dat ook de reden dat lezers mij vertelden dat het boek hun, ondanks de grimmigheid van het verhaal, hoop gaf.'

De kracht van het boek is te danken aan de distantie van de schrijver ten opzichte van zijn onderwerp.

De stijl is registrerend en glashelder, nooit laat Dichter zich door zijn onderwerp meeslepen. De lezer ziet de gebeurtenissen door de ogen van de jongen; hij duikt met zijn moeder onder letterlijk bijna: ze verschansen zich onder het bed, onderin een put. Zijn moeder leert een joodse man kennen die in Siberie de oorlog heeft overleefd. Deze man wordt de tweede vader van de jongen. Zijn echte vader heeft zelfmoord gepleegd door zich op te hangen aan een stropdas. Dit verhaal houdt het kind zichzelf voor om aan de tragische werkelijkheid te ontkomen. Een stropdas biedt hem een beeld van onschuld. 'Het erge van die oorlogstijd', vertelt Dichter, 'is het steeds kleiner worden van onze wereld. Eerst was er de ruimte van het platteland met zijn boerenhoeven, schuren en stallen die voor de jongen de wereld uitmaken. Toen kwamen de Duitsers: de Stalinstraat werd Hitlerstraat. Die Duitsers verdreven hem en zijn moeder naar kleine, benauwde en duistere schuilplaatsen. De titel Paard van God die ik pas op het allerlaatste moment voor het boek vond, is ontleend aan een Pools gezegde. Een vader kan, liefkozend en ook wat pesterig, tegen zijn zoon zeggen: 'Jij bent Gods paardje'. Vanaf het begin wilde ik wel het woord 'paard' in de titel hebben. Paarden zijn zulke krachtige prachtige dieren.' De gebeurtenissen om hem heen zetten de jongen aan tot denken, net zoals Dichter zelf als kind, in dezelfde omstandigheden, na ging denken: 'Ik kon me als kind de dood niet voorstellen. Voor een kind is het ondenkbaar dood te gaan, al heeft het nog zo'n honger. Het kind ziet van alles, hoort van alles, maar van wat er werkelijk om hem heen gebeurt, heeft hij weinig notie. De kunst van het schrijven vanuit kinderperspectief is, dat de lezer op elke bladzijde precies evenveel weet als het kind.

De lezer mag niet meer weten, dan verdwijnt de spanning. Hij volgt Wilek op de voet.'

De aanleiding om dit boek te schrijven was een kortstondige ziekte die Dichter in 1989 trof. Hij begon na te denken over zijn leven, vooral over zijn jeugd, zijn vader en moeder, grootouders. Hij ontdekte dat er veel gaten in zijn geheugen zaten. Daar schrok hij van. Om zijn geheugen op te frissen begon hij te schrijven, nooit met de intentie een roman te maken. Hij schreef in het Pools, hoewel Amerikaanse vrienden hem aanraadden over te gaan op het Engels. Dichter zegt dat dat voor hem onmogelijk was: 'De Poolse taal hoort bij mijn kindertijd. Thuis, ik woon niet ver van Boston, spreken wij met de kinderen ook nog altijd Pools. Niet met de kleinkinderen. Polen is mijn vaderland; Amerika is dat ook, maar anders. Het is een vaderland geworden.'

'Het boek is twee jaar geleden bij een uitgeverij in Krakow verschenen. Ik krijg een stortvloed aan reacties. Mensen willen weten hoe ik aan de titel kom, hoe autobiografisch het boek is en of ik het allemaal 'zelf heb meegemaakt'. Ik antwoord dan dat de gebeurtenissen exact zo gebeurd zijn als ik ze beschrijf, en dat het boek niettemin een roman is en geen faction. Dat heb ik willen bereiken door een heldere zeggingskracht van de taal. Schoonheid wint altijd van het verschrikkelijke. Al schrijvend probeerde ik de stemming en de atmosfeer van het verleden opnieuw op te roepen. De gebeurtenissen van toen beleef ik nu als volwassen man anders, misschien zijn ze nu minder angstaanjagend, maar ik wilde ze toch beschrijven zoals ik ze als kleine jongen beleefde. Daarom is mijn boek niet beschuldigend of oordelend jegens de Duitsers of Russen.

Dat kon het kind ook niet. Het belangrijkste dat hij heeft, is zijn leven. Het klinkt banaal of eenvoudig, maar in oorlogstijd is dat het helderste besef dat je hebt. Het eigen leven willen redden, en dat van je moeder zoals in mijn geval.'

'Tijdens het schrijven heb ik mijn verleden opnieuw beleefd; het was opgeborgen in verschillende laden van mijn geheugen en die laden heb ik een voor een opengedaan. Maar ik heb het boek niet voor mezelf geschreven. Ik heb het geschreven voor anderen en om de joodse wereld waarvan zoveel verdwenen of vernietigd is, weer tot leven te wekken.'

    • Kester Freriks