De historicus kan niet rekenen

Coen Hilbrink : De Ondergrondse Illegaliteit in Overijssel 1940 - 1945 Sdu. 416 blz. fl 39,90

Voor een ieder die het percentage Nederlanders dat slachtoffer werd van de jodenvervolging (ten minste 75 procent) hoog vindt, heeft Coen Hilbrink nieuws: dat percentage kan evengoed 'relatief laag' worden genoemd. Bovendien ziet Hilbrink geen reden waarom het Nederlandse 'zelfbeeld' door dit statistisch gegeven een deuk zou moeten hebben opgelopen.

Hilbrink stelt dit in De ondergrondse. Illegaliteit in Overijssel 1940-1945, het vervolg op zijn dissertatie De illegalen. Illegaliteit in Twente en het aangrenzende Salland 1940-1945 (1989). Zestig pagina's heeft de Oldenzaalse historicus nodig om deze conclusies te trekken, in een boek dat niet over de jodenvervolging gaat maar over de illegaliteit. Het zijn de eerste zestig pagina's en het lijkt erop dat Hilbrink met dit uitgesponnen essay zijn bijdrage heeft willen leveren aan de discussie over de Nederlandse jodenvervolging: pas daarna begint het eigenlijke boek.

Hilbrink wijst zijn lezers erop dat er statistische valkuilen bestaan waar je makkelijk in kunt vallen. In de protestantse buurgemeenten Hardenberg en Gramsbergen kwamen tijdens de oorlog veertig mensen om als gevolg van het illegale werk dat ze verrichten. In de katholieke grensplaatsen Tubbergen, Weerselo, Ootmarsum, Denekamp, Losser en Haaksbergen kwamen 'slechts' zeventien mensen als gevolg van illegaal werk om. Terwijl de inwonertallen van beide groepen dorpen zich omgekeerd verhielden. Mag je nu, zo vraagt Hilbrink zich af, op basis van deze gegevens concluderen dat er in Hardenberg en Gramsbergen meer illegaal werk werd verricht omdat er meer slachtoffers onder illegalen vielen? Nee concludeert Hilbrink. Dat is terecht natuurlijk: er zijn alternatieve verklaringen denkbaar voor het verschil in de cijfers denkbaar.

Zo zijn er wel meer vergissingen mogelijk, waar Hilbrink terecht op wijst. Maar Hilbrink maakt - en wel voortdurend - de fout het bijzondere (de situatie in een bepaald dorp of bepaald stad) te veralgemenen. Hij haalt de sociologen Flap, Geurts en Ultee aan, die het mogelijk achten dat structurele lokale factoren (zoals antisemitisme, vastberadenheid van de bezetter, de mate van verzuiling) een rol hebben gespeeld bij het hoge landelijke percentage joodse slachtoffers.

Ze zijn nog niet helemaal overtuigd van hun gelijk, vandaar dat ze nader lokaal systematisch onderzoek voorstellen. Daar wil Hilbrink niet op wachten: 'Het zijn dan ook geen structurele, maar toevallige factoren van uiteenlopende aard die de verschillen in slachtofferpercentages tussen de gemeenten Hardenberg Oldenzaal en andere gemeenten hebben bepaald.' Met 'andere gemeenten' bedoelt Hilbrink - ten onrechte - alle andere gemeenten.

Om zijn stelling te bewijzen, daalt Hilbrink weer af naar het niveau van het bijzondere. 'Duidelijk wordt dit wanneer bijvoorbeeld de Hardenbergse familie Frank meer geluk zou hebben gehad. Deze joodse familie dook onder maar werd na verraad gedeporteerd en vermoord. Een geslaagde onderduik zou het percentage slachtoffers van de Hardenbergse joodse gemeenschap met veertien procent hebben verminderd van 97,3 tot 83,8 procent (tegen Oldenzaal 88,6 procent).' Rekentechnisch is dit juist, maar dat is dan ook het vriendelijkste wat erover te zeggen valt. Hoe hoog zou het percentage zijn geweest als Nederland neutraal was gebeleven?

Toevallig

Het is ongetwijfeld zo dat toevallige omstandigheden verschillen in percentages veroorzaakt hebben, maar dat betekent nog niet dat er geen structurele factoren zijn aan te wijzen. In hun artikel 'Jodenvervolging in Nederland en Belgie' (achtste jaarboek RIOD, 1997) geven Pim Griffioen en Ron Zeller als eerste hoofdoorzaak van het verschil tussen Nederland en Belgie (40 procent) dit: 'De eerste (hoofdoorzaak) is dat de vervolgers in Nederland de deportaties veel meer als een systeem lieten functioneren, wat het duidelijkst tot uiting kwam in de opzet van de joodse werkkampen en de uiteenlopende, weldoordachte methoden, die in de eerste helft van 1943 de transporten naar Sobibor mogelijk maakten.'

Het vergelijken van de percentages van twee landen is de enige objectieve vergelijking die je kunt maken, omdat twee landen verschillen kennen die twee buurgemeenten niet kennen. Institutionele verschillen (in welke mate waren bevolkingsgegevens vastgelegd?), verschillen in wetgeving, cultuur, etcetera. En dan blijkt het Nederlandse percentage hoog.

Maar, aldus Hilbrink: 'Wie het Nederlandse percentage joodse slachtoffers van circa 75 procent hoog noemt, oordeelt normatief. Als norm hanteert hij buitenlandse percentages, of zijn eigen wensen over wat de humane capaciteit in de Nederlandse samenleving van die tijd had behoren te zijn. Op grond van een statistisch gegeven velt hij over de Nederlandse samenleving van die tijd als geheel impliciet een moreel oordeel. Is dit rechtvaardig?' Nee, vindt de historicus: 'Voor de meeste joden lag een kans op redding vrijwel uitsluitend in een succesvol beroep op de menslievendheid van niet-joden. Maar hoe vaak werd dat beroep gedaan? Welke joden hebben de moed kunnen opbrengen dit te doen? Wie pessimistisch (of realistisch?) denkt over het voorkomen van de menselijke eigenschappen menslievendheid en moed, kan het Nederlandse slachtofferpercentage op goede gronden (...) evengoed relatief laag noemen.'

De waarderingen 'hoog' en 'laag' hangen volgens Hilbrink dus nauw samen met eigen verwachtingen over de humane capaciteit van de Nederlandse samenleving. Die was kennelijk niet groot, in die dagen.

Jammer genoeg laat Hilbrink de lezer in het ongewisse hoe hij aan de wijsheid komt dat de Belg toen menslievender was dan de Nederlander, en de joodse Belgen 'moediger' dan de Nederlandse. Maar dat is nog niet het ergste. De conclusie dat er verschillen bestaan tussen de percentages slachtoffers van verschillende gemeenten (er bestaan altijd fluctuaties rond een gemiddelde) en dat die verschillen zijn ontstaan door toevallige factoren van uiteenlopende aard (ongetwijfeld waar), mag niet op voorhand leiden tot het negeren van de mogelijkheid dat er structurele oorzaken zijn die het verschil tussen bijvoorbeeld Nederland en Belgie kunnen verklaren.

Vaststellen dat het percentage van 75 hoog is ten opzichte van de percentages in de ons omringende landen is geen 'normatief oordeel' maar een empirisch gegeven.

Percentages 'en andere cijfers' leveren nooit en te nimmer 'onbruikbare of misleidende informatie' op, zoals Hilbrink meent. Hooguit leidt een gebrekkige interpretatie ervan tot ondoordachte conclusies. Hilbrink is cijferblind, een romantisch historicus met een voorkeur voor oral history die links en rechts kleine statistische valkuilen ziet, maar niet in de gaten heeft dat hij zelf in een bomkrater loopt.