De barokke humor van een taalkameleon; Verhalen van Carlo Gadda

Carlo Emilio Gadda : Gepaard met Verstand. Uitg. Serena Libri 192 blz. fl 39,90

De schrijvende ingenieur Carlo Emilio Gadda was in de jaren vijftig in Italie een literaire openbaring. Zijn genialiteit werd, evenals die van Italo Svevo (Bekentenissen van Zeno) en Giuseppe Tomasi di Lampedusa (De tijgerkat), pas in een laat stadium ontdekt en erkend. Vanaf dat moment brak hij als schrijver door naar het grote lezerspubliek en groeide hij voor de jongere avantgarde uit tot het prototype van de moderne verteller. Het hoogtepunt van zijn kunnen is de literaire detective Quer pasticciaccio brutto de via Merulana, een gedeeltelijk in Romeins dialect geschreven roman, die nodig eens in het Nederlands moet worden vertaald. Overigens is Gadda in ons taalgebied niet helemaal onbekend, want al in 1964 zag hier zijn roman De ervaring van het verdriet het licht en in 1989 werd zijn schrijverschap uitgebreid onder de loep genomen in een speciale aflevering van het tijdschrift Raster.

Behalve de twee genoemde meesterwerken schreef Gadda in de loop van zijn leven nog vele andere verhalen. Uit deze verhalen is nu onder de titel Gepaard met verstand een selectie verschenen die als opmaat kan dienen tot de aangekondigde verdietsing van zijn hoofdwerk. Om Gadda's weerbarstige proza te vernederlandsen (een vertaalklus die er niet om liegt) zijn maar liefst zes vertalers ingehuurd, maar dat heeft dan ook geleid tot een tekst die klinkt als een klok. Bovendien wordt het boek nog verrijkt door een mooie inleiding van Frans Denissen, die erin slaagt om de 'moeilijke' figuur van Gadda in een verhelderende context te plaatsen en literair-historisch tot leven te brengen. Ik heb op de bundel maar een punt van kritiek: waarom begint hij met een verhaal dat zo zwak en onbetekenend is dat sommige lezers het boek wellicht na 25 bladzijden weer zullen dichtslaan?

De vier andere verhalen kunnen worden gekarakteriseerd als onmiskenbare uitingen van Gadda's meesterschap; de mooiste is wel de tachtig bladzijden lange vertelling 'Sint Joris in huize Brocchi', waarin alles draait om de volwassenwording van de adolescent Gigi Brocchi. Deze negentien jaar oude telg uit een halfadellijk Milanees patriciersgeslacht wordt door zijn moeder, die bang is dat hij van het rechte pad zal raken, met allerlei preutse en deugdzame opvoedingsvoorschriften onder druk gezet, iets wat helaas niet kan verhinderen dat hij uiteindelijk toch bezwijkt voor de seksuele charme van Jole, de jeugdige dienstbode van zijn oom Agamemnon.

Ook het laatste verhaal, 'Gepaard met verstand', tintelt van leven. Hoofdpersoon ervan is de steenrijke graaf Beniamino Venarvaghi, die zijn achterneef Giuseppe tot zijn universele erfgenaam heeft benoemd.

Omdat de jongeman een notoire losbol en flierefluiter is, vreest zijn oom met grote vreze dat zijn patrimonium, wanneer hijzelf niet meer tot het rijk der levenden behoort, er in de kortste tijd doorheen zal worden gejaagd. Daarom koppelt hij, ten einde het voortbestaan van zijn erfgoed veilig te stellen, Giuseppe aan de weduwe Adelaide Carpioni, wier belangrijkste eigenschap erin bestaat dat zij geen gat in haar hand heeft en financieel van wanten weet. Waartoe deze stap van oom Beniamino leidt, kan hier beter maar worden verzwegen.

Een van de stuwende krachten van Gadda's schrijfkunst, waarvan de echo ook in deze verhalen doorklinkt, is zijn onverholen neiging tot maatschappijkritiek. Hij wil, door de mens en de hem omringende werkelijkheid te analyseren, de drijfveren van het sociale handelen ontleden en zonodig ontmaskeren. Daarbij richt hij de pijlen van zijn in moralisme gedoopte pen meer dan eens op de Milanese bourgeoisie met haar valse deugden en idealen, haar hypocrisie en materialisme, haar kadaverdiscipline en hang naar status. Ofschoon zijn verhalen hun uitgangspunt hebben in persoonlijke droefenis, teleurstelling en woede wordt het autobiografisch revanchisme dat eraan ten grondslag ligt vrijwel overal gelouterd door een weldadig werkende humor.

Gadda's humor is niet zozeer situatiehumor als wel taalhumor. De barokke zinnen, waarin hij de warboel van de wereld probeert te onrafelen, buitelen als speelse kinderen over elkaar heen, verstrengelen zich in de meest groteske tournures, wemelen van de tussenwerpsels en terzijdes, vertonen een ware wildgroei aan bijwoorden en adjectieven, maar blijven desondanks overeind. Zijn manier van schrijven, die een uiterst origineel stempel draagt, kan worden omschreven als kameleontisch: de door de auteur gebezigde taal (die doorspekt is met dialect en vakjargon) wisselt van verhaal tot verhaal van hoofdstuk tot hoofdstuk, van bladzijde tot bladzijde.

Waarbij zijn pastiches nu eens hilarisch en dan weer cynisch, nu eens ludiek en dan weer intellectualistisch zijn. Gadda's zinderende veeltaligheid (die vertalers niet zelden tot wanhoop brengt) levert een taalkunst op van grote allure. Ofschoon zijn stijl wel eens wat gezocht en manieristisch overkomt, geven zijn formuleringen blijk van een dusdanig scherpte en spitsheid dat je wel een keiharde ijsklomp moet zijn om niet voor de warmte van zijn schrijverschap te smelten.