Dag

Hoe grillig is toch het publiek, in dit geval de lezende mens. Enkele weken geleden signeerde Harry Mulisch zijn nieuwe boek De procedure bij boekhandel Scheltema aan het Koningsplein in Amsterdam. Er stond die zaterdagmiddag geruime tijd een lange rij, die van de kassa tot om de hoek van de straat krulde. Gisteravond liet Mulisch zich in de Balie, ook in Amsterdam, interviewen. Er kwamen amper honderd mensen op af.

Mulisch sprak met twee literatoren, Arnold Heumakers en Anthony Mertens, over 'het sublieme', vroeger ook wel 'het verhevene' genoemd. De cultuurfilosoof Burke omschreef het als een intense ervaring van disharmonie, een samengaan van pijn en genot. Mulisch vertelde dat hij die ervaring als kunstminnaar eerder bij muziek en poezie (Achterberg) had gehad dan bij proza. Als schrijver kende hij zulke 'fantastische momenten' wanneer tijdens het schrijven alles op zijn plaats viel.

Hij voegde eraan toe: “Als je het sublieme niet in je hebt, kun je het ook niet herkennen.' Wij toehoorders kenden toen weer onze plaats.

Minder abstract werd het gesprek toen De procedure aan de orde kwam. Wat hij daarin beschrijft - het scheppen van leven uit dode materie - zal over 25 jaar werkelijkheid zijn, voorspelde Mulisch. Er zit geen enkel politiek aspect in je boek, hield Mertens hem voor. “Mensen maken zich nu nog druk over ideologische zaken', reageerde Mulisch, “maar dat is peanuts vergeleken met de ontwikkelingen in de wetenschap. De menselijke kennis verdubbelt zich elke twaalf jaar. De computer is toch iets ongelofelijks te vergelijken met de uitvinding van het wiel en met dezelfde consequenties. Als alle computers uitvallen, lijden we allemaal honger.'

Mulisch ziet een mens ontstaan die 'het verlengstuk van de apparaten' is geworden. Hij verbond daar geen moreel oordeel aan, al zei hij wel: “Iedereen zegt altijd: vroeger was alles beter. Misschien is dat ook wel zo. Door de invloed van de techniek is iemands individualiteit ook een ding geworden. Veel mensen identificeren zich meer met hun apparaten dan met hun kinderen. Als je een bezoeker vraagt waar hij staat, dan zegt hij: om de hoek.'

Toen mochten we naar huis. Naar onze sublieme machines. Met deze uitsmijter van Mulisch in het achterhoofd: “De machine plus de mens is het nieuwe wezen.'