Calvinisten komen het verst; David Landes over oorzaken van rijkdom

David Landes schreef 'The Wealth and Poverty of Nations', waarin hij verhaalt over de manieren waarop West-Europa zijn rijkdom verwierf. Het is een heel dik boek, maar Landes kan de oorzaak van succes ook kort samenvatten: hard werken en nieuwsgierigheid.

Ik wil meer, meer, meer. Hoe vaak heb je dat gevoel als je een 650 pagina's dik boek zit te lezen over de ontwikkeling van de economie door de eeuwen heen?

Begin op bladzij 1 van 'The Wealth and Poverty of Nations' van David Landes, gepensioneerd hoogleraar van Harvard University, en je houdt niet meer op. Alsof je weer op school zit de kachel brandt, buiten regent het, en je luistert naar de verhalen van die ene begenadigde juf of meester die zo prachtig over de Batavieren en de Romeinen kon vertellen.

Landes beschrijft de hele wereld - China Engeland en West-Afrika, 1000 voor en 2000 na Christus, de toekomst van Japan en het verleden van Holland - en het aantrekkelijke is dat hij die grote lijnen tot leven brengt door de gewoonste details.

Neem Columbus, toen die net op de Caraibische eilanden was geland. Lyrisch was hij over de mensen die hij daar aantrof en Landes citeert uit de brieven: “Ze zijn zo naakt als ze geboren werden, vrouwen zowel als mannen.' En: “Het zijn de aardigste en vreedzaamste mensen van de wereld.' En: “In ruil voor iets wat je ze geeft, hoe gering ook, geven ze je meteen hun hele bezit.'

Maar ja, schrijft Landes dan, er was een ding in het bijzonder dat die genereuze mensen niet weg wilden geven: hun vrouwen. En dat was nou precies wat die horny Spanjaarden wilden, na maanden op zee. Vrouwen. Bovendien dachten die aardige mensen die alles wat ze hadden weggaven dat de Spanjaarden dat op hun beurt ook zouden doen.

Dat werd dus oorlog. En wat schreef Columbus toen? “Als er tijdens uw reis naar Cibao iets door een indiaan gestolen wordt, moet u hem straffen door zijn neus en zijn handen af te houwen, want dat zijn de lichaamsdelen die ze niet kunnen verbergen.'

Simpele, door iedereen waarneembare feiten - daarmee begint Landes aan zijn allesomvattende (zo ambitieus is hij) verklaring van why some are so rich and some are so poor. Hitte in de landen rond de evenaar. Kou in het noorden. Tegen kou kun je wat doen zegt Landes. Kleren aantrekken, vuurtje stoken, hard werken. Hitte is veel lastiger, want wat doe je daar tegen? Je kunt jezelf wel koelte toewuiven maar dat kost een hoop energie en je krijgt het er bovendien erg warm van. Effectiever is: niets doen.

En dan al het ongedierte, alle bacterien en virussen die die hitte heerlijk vinden: een grote bron van ziekte en ellende. Landes is geen man die zijn stellingen graag met getallen onderbouwt (zwak punt in het boek), maar hier geeft hij er een paar: bij een verbreidingssnelheid van factor 1 is een ziekte stabiel, een nieuw tegen een oud geval. Bij difterie of bof is de factor 8, bij malaria 90. “De winter is', schrijft Landes, “onze grootste vriend, wat dichters er ook van mogen zeggen. De stille witte dood, de verdelger van insecten en parasieten.'

Veel lachen

Wat verwacht je als je bij David Landes in zijn Amsterdamse hotel op bezoek bent voor een vraaggesprek?

Een man die verhalen vertelt, de grote verbanden ziet.

Maar nee hoor. Hij ziet er wel uit als een man die graag vertelt - beetje klein, beetje dik, vriendelijk - en hij doet gezellig, met borden vol tonijnsandwiches op tafel en veel lachen. Maar begin eens over een onderwerp dat in zijn boek nogal belangrijk is, namelijk de uitvinding van de klok, en je raakt teleurgesteld. Zijn die tochten over de marche aux puces in Parijs, op zoek naar nog mooiere, nog zeldzamere exemplaren nou echt het interessantse wat hij erover te vertellen heeft?

Te veel interviews op een dag - dat zal de verklaring wel zijn. Want zo gaat dat als een celebrity uit de Verenigde Staten naar Nederland komt om zijn boek te promoten. De uitgever plempt zijn dagen rustig vol met iedere anderhalf uur een nieuwe afspraak. Halverwege kan hij zijn neiging om te gapen nog maar nauwelijks onderdrukken.

Of is dit te onaardig en is Landes gewoon het type geleerde dat achter zijn bureau pas tot zijn recht komt als hij echt iets moet uitleggen?

Voor die klokken kunnen we in ieder geval maar beter teruggaan naar zijn boek, waarin hij de uitvinding van de klok als een van de essentiele stuwkrachten beschrijft van de economische vooruitgang in de Europese Middeleeuwen. Of beter: niet de uitvinding op zichzelf, maar de toepassing ervan. Want het waren waarschijnlijk de Chinezen, schrijft Landes, die als eersten mechanieken bedachten om tijd te meten. Zoals zij ook de eersten waren die boeken konden drukken en buskruit tot ontploffing wisten te brengen. Cruciaal verschil, volgens Landes, tussen Oost en West. Daar deden ze niets met hun ontdekkingen en hier gebruikten ze ze om het leven te ordenen, kennis te verspreiden, de vijand te verslaan.

Dat is wat Landes ook probeert te verklaren in zijn boek: waarom de Chinezen na 1200 insliepen (in Westerse ogen). Eeuwenlang kregen mensen de doodstraf als ze een boot bouwden met meer dan twee masten. Daar konden ze de zee mee op, naar andere landen varen, nieuwe dingen zien. Streng verboden.

In Europa bedachten ze in diezelfde tijd juist een middel waarmee mensen tot op hoge leeftijd juist alles konden blijven zien: de bril. Die verlengde het werkzame leven van de gemiddelde klokkenmaker met jaren.

En omgekeerd: doordat mensen beter konden kijken, vonden ze ook andere instrumenten uit - telescoop, microscoop - waarmee weer nieuwe ontdekkingen werden gedaan.

Tremendous fun

Met de verklaringen over de Chinese starheid (in Westerse ogen) komen we bij de kern, nee de oorzaak van de verschillen tussen arme en rijke landen - volgens Landes. Hij komt er zijn hele boek door telkens weer op terug. Als je ze leest, begrijp je waarom een econoom als Deirdre McCloskey - ook een Harvard-hoogleraar - in haar recensie Landes' boek behalve fantastisch en geweldig en tremendous fun ook Westers-gericht en zeer anti-marxistisch noemt. (Wat McCloskey trouwens niet negatief bedoelt.)

Welvaart zegt Landes, krijg je als je mensen hun gang laat gaan, de kans geeft om risico's te nemen, zelf profijt laat hebben van hun inspanningen. Een land komt verder als mensen nieuwsgierig zijn en hard willen werken. En in China, zegt Landes, was er geen enkele vrijheid. In China was er eeuwenlang een absolute alleenheerschappij.

Geen hartstochtelijker verdediger van de leer van Adam Smith dan David Landes. (De titel van zijn boek lijkt natuurlijk niet voor niets op die van Smith's meesterwerk, 'The

Wealth of Nations' (1776). En het zegt ook wel wat over Landes' pretenties.)

Werp Landes niet voor de voeten dat 'The wealth and poverty of nations' subjectief is. Dan wordt die aardige man opeens bijna boos. “Subjectief?' zegt hij. “Ik beschrijf feiten.'

Maar de interpretatie van die feiten - dat wil hij wel toegeven - is er een van een calvinist.

Opeens enthousiast

Max Weber. Pagina 174 van de Engelse versie van Landes' boek, pagina 191 van de Nederlandse vertaling, die deze week verschijnt.

Begin daarover en die aardige man wordt opeens enthousiast. “Op die bladzijden kun je zien dat mijn verhaal een weerspiegeling van mijn persoonlijke overtuiging is.' (Hij gebruikt zelf het woord testimony.)

Even weer terug naar het boek want daarin is Landes toch op z'n scherpst. Max Weber, Duits socioloog schreef in 1905 dat het protestantisme de opkomst van het moderne kapitalisme bevorderde. Vooral de predestinatieleer was volgens hem belangrijk: hoe hard je ook werkte, hoe goed je je godsdienstige verplichtingen ook nakwam, hoe deugdzaam je ook was - het deed er niet toe. Je was uitverkoren of je was niet uitverkoren. Dat had mensen fatalistisch kunnen maken, schrijft Landes, als ze er niet tegelijkertijd van overtuigd waren geweest dat deugdzaamheid een “aannemelijk blijk' van uitverkiezing was. Uitverkoren mensen herkende je tijdens hun leven al aan hun zielenadel. En dat hielp al genoeg.

Het geloof in predestinatie verdween, maar wat bleef was een rotsvast vertrouwen in vlijt, eerlijkheid, zuinigheid, ernst, enzovoort. Volgens Weber bracht het protestantisme een nieuw soort zakenman voort, iemand die niet uit was op rijkdom, maar op een bepaalde manier van leven. (Rijkdom was een bijproduct.)

Webers verhaal is sinds 1905 van alle kanten aangevallen: er waren toch ook veel katholieken die het goed deden, de verschillen tussen Noord en Zuid konden ook heel andere oorzaken hebben; begreep Weber het protestantisme eigenlijk wel goed, enzovoort. Landes concludeert zelf dat “de meeste hedendaagse historici de Weber-these als onaannemelijk beschouwen'.

Maar hij is het er niet mee eens. En dat is opmerkelijk.

“Tel maar', zegt hij. “Kijk maar naar de empirie.' Hij bedoelt: de meeste kooplieden en fabrikanten die in de negentiende eeuw belangrijk waren in de handel, het bankwezen en de nijverheid waren protestant.

De meeste werkgevers in Duitsland en Frankrijk waren protestant. Hun werknemers waren katholiek. Het protestantisme, zegt Landes ook, wilde echt “een nieuw soort mens' scheppen: rationeel ordelijk, ijverig, productief.

Landes geeft nog veel meer argumenten waarom het protestantisme een motor was achter de opkomst van het kapitalisme. Lees zijn boek, hij gaat er alinea's lang over door. Maar waar het hier om gaat is dit: Landes vindt nog steeds dat mensen met zulke eigenschappen in het leven het verst komen. “Ik bedoel dat niet moralistisch', zegt hij. “Ik stel dat gewoon vast.'

Met die boodschap, zegt hij, heeft hij zijn eigen kinderen ook grootgebracht. En nu leert hij het zijn kleinkinderen. “Het leven heeft alleen zin als je hard werkt, als je nieuwsgierig bent.'

Hij zou een Nederlander kunnen zijn, deze Amerikaanse staatsburger. Hij is namelijk ook nog een groot voorstander van overleg, van samenwerken, van geduld en investeren voor de lange termijn. “Nederland is er in de zeventiende eeuw de belangrijkste economie van de wereld mee geworden.'

Heeft Nederland - poldermodel! - dan een kans om die positie weer te krijgen?

Vriendelijk: “Een economie hoeft niet groot te zijn om...' Hij onderbreekt zichzelf. “Ach nee, daar is dit land te klein voor.' En daarna: “Het is jammer dat het Nederlandse model zich zo lastig naar andere culturen laat exporteren.'