'Waar is het leuker, Edison?'; Leven van geadopteerde jongen bepaald door andermans keuze

Edison Knappstein (24) uit Zeist is geboren in Indonesie. Twee keer werd hij geadopteerd. Nu gaat hij ieder jaar terug. 'Ben je eindelijk volwassen. Dan denk je, hoe ik geworden ben is begonnen met de keuze van een ander.'

'Sommige dingen in je leven onthou je gewoon. Wat dat betreft kan niemand mij meer iets wijsmaken.

In ons huis in Palembang stonden twee levensgrote beelden. Van Jozef en Maria met haar kindje. Zo herinner ik mezelf daar, weggekropen achter die beelden. Alles was mijn schuld en met een bamboestok kun je hard slaan hoor. Dus ik bleef maar achter die beelden zitten.

Ik ben in Indonesie geboren en twee keer geadopteerd. Mijn echte moeder was zestien jaar toen ze me kreeg. Dat ben ik inmiddels te weten gekomen. Ze was niet arm. Maar ik was een onecht kind. En haar vader was districtscommissaris bij de politie. De Indonesische politie is machtig, mijn opa was dat ook. Ik ben in het ziekenhuis geboren. Diezelfde nacht heeft mijn opa mijn moeder mee naar huis genomen. Ze moest mij afstaan. Ik heb haar nooit meer gezien.

Een Nederlandse missiepastoor deed zijn best voor mij. Toen heeft een katholieke Chinese familie in Palembang me geadopteerd. Omdat ik door mijn ogen op een Chineesje leek. De pastoor gaf me de namen Edison Nicolaas. En ik kreeg een Chinese naam: Eng-son Liem. Vijf dochters hadden ze al. En maar een zoon. Chinezen in Indonesie doen dat vaker, jongetjes adopteren als ze zonen willen. Ik was dus hun zoon. Tot ongeveer mijn tiende, toen ik al anderhalf jaar in Nederland was, heb ik dat gedacht.

Het was een welgestelde familie. Mijn Chinese vader was fabrieksdirecteur, twee dagen reizen verderop. Hij was aardig, maar nooit thuis. Het grootste deel van het jaar woonde hij naast zijn fabriek. Ik bleef bij de Chinese moeder. Ja, de Chinese moeder noem ik haar altijd. Niet 'mijn' moeder, en geen voornaam. Waarom zou ik? Acht jaar lang heeft ze me bijna permanent binnen opgesloten.

Ik mocht niks en ik deed niks. Ik mocht niet bruin worden want dan zou ik niet meer op een Chinees lijken. 'Je was het witste Indonesische jongetje dat we ooit hadden gezien', zeiden mijn Nederlandse adoptie-ouders later. Ze gaf me de schuld van alles. Echt alles. En dan sloeg ze me. Of ik kreeg geen eten. Een keer kreeg ik een paar dagen niks. Mijn Chinese zussen namen het altijd voor me op. Ze hebben stiekem eten voor me gekocht. Weet ik ook nog. Bakso een mie-achtige soep.

Ik herinner me nog iets. Een andere vrouw ze is heel oud, ze zit in een hutje visgraten fijn te malen en ik kijk naar haar. Visgraten om kroepoek van te maken. Die verkoopt ze, ze is arm. Ik ben nog heel klein, ik slaap bij haar en ik snap er niks van.

Later heb ik gehoord dat het de werkster van de Chinese moeder was. 'Wil jij hem hebben, neem hem maar mee', heeft ze de werkster gezegd. Ik heb een paar dagen bij haar gewoond. Toen kwam de Nederlandse pastoor erachter. Kwaad was hij. Hij heeft me teruggebracht bij de Chinese moeder. Ze heeft me ook nog eens aan de buren aangeboden. Maar die wilden me niet.

Ik mocht op het laatst bij mijn Chinese vader naast de fabriek komen wonen. Weg van haar. Bij hem was het goed, ze sloeg ook nooit als hij erbij was. Ik had een pijl en boog. Daarmee joeg ik de vleermuizen onder het dak van de fabriek uit. Rennen, rennen, langs de dakrand. Buiten! Midden op de dag! En die zwermen vleermuizen die in het licht wegvliegen. Dat was zo mooi.

De Chinese moeder is me na een half jaar komen ophalen.

Ik woon weer een paar weken bij haar. Het is nacht en ik word uit bed gehaald. Vier van mijn Chinese zussen zitten op de trap naar mij te kijken.

Voor de ramen, zonder glas, zit tralies tegen inbrekers. Ik hou me daaraan vast en huil heel hard. Ik moet mee met de Chinese moeder. Ze brengt me terug naar het ziekenhuis. Dan is het opeens licht en zitten de verpleegsters en de nonnen onder de mandarijnboom te praten. O ja, ik weet nog precies hoe dat was. Een verpleegster zei: 'Neem deze pil en dan ben je morgen weer thuis'. Ja hehe. Ik wist heus wel dat dat een slaappil was.

Een half jaar heb ik in het ziekenhuis gezeten. Ik was veel bij Lucia, dat was een verpleegster van achttien jaar. Met haar heb ik nu weer contact, ze is een soort zus van me geworden. 'Je zat altijd op mijn kamer tijdschriften te bekijken', zei ze. 'En als je foto's met Chinezen zag dan bladerde je heel driftig door'. Raar. Want ik dacht nog steeds dat ik ook Chinees was.

Intussen waren mijn Nederlandse adoptie-ouders aan het procederen om me te krijgen. Via de stichting Wereldkinderen hadden ze van me gehoord. Ik was eigenlijk te oud, zeven is de maximumleeftijd om geadopteerd te worden in een ander land. Omdat je anders niet meer kunt wennen. Nou, dat klopt dus. Maar ik kon behalve naar een kindertehuis nergens meer naartoe. Indonesiers willen geen kind dat bij Chinezen is opgegroeid. Chinezen willen geen kind dat door Chinezen is weggedaan. De Nederlandse pastoor deed weer zijn best. Twee keer is er in Indonesie een rechtszaak geweest. De laatste rechter heeft geld gekregen.

Jos en haar man Wim. Ze hebben nog drie kinderen uit Korea geadopteerd. Allemaal moeilijke gevallen zoals ik. Echte idealisten zijn ze. Heel bijzondere mensen. Altijd denk ik: zo zien gelukkige mensen eruit. Ze kwamen me halen. Ik kreeg een tas vol lego om te spelen.

En toen we in Zeist kwamen was hun hele familie er om het te vieren.

In het begin was ik bang! Ik kon alleen slapen als iedereen sliep, en nooit alleen. Ik begon in de kleuterklas. Omdat ik moest leren spelen. Vanaf toen deed ik alles tegelijk. Inhalen wat vroeger niet mocht, he. Er klopte niks van. Ik was ook altijd bang dat ik weer weg zou moeten. Dus geen verkeerde dingen doen. En laten zien wat mensen willen zien. Ik heb Jos en Wim heel vaak gevraagd: 'Van wie houden jullie nou het meest?' Dat hoort toch eigenlijk niet.

Na anderhalf jaar vertelden ze me dat mijn Chinese familie mijn echte familie niet was. Natuurlijk was ik kwaad. Niet op Jos en Wim. Eerder was ik gewoon nog te jong om het te weten. Wel op de Chinese moeder. Maar vanaf toen kreeg ik toch heimwee. Ik wilde zo graag terug naar mijn Chinese zussen. Ook al zijn dat mijn zussen dus niet, ze weten wel hoe ik was. Dat dacht ik.

Wie ben ik, wat ben ik, wat doe ik hier? Niemand kent me echt. Ik heb een vriendin. Bijna alle vriendinnen die ik heb gehad hebben veel moeilijke dingen met hun ouders meegemaakt. Maar ik kan nog steeds niemand echt vertrouwen. Dat heb ik Jos en Wim nog nooit verteld.

Verder gaat het dus prima. Nog steeds alles tegelijk doen, he. Ik heb de hotelschool niet afgemaakt maar al mijn horecapapieren heb ik zelf gehaald. Nu werk ik in restaurants als ober en ik verdien goed. Ik heb altijd gezegd: 'Op mijn drieentwintigste wil ik een eigen huis, op mijn zevenentwintigste een eigen zaak en op mijn vijfendertigste stop ik met werken.' En ja hoor: vorige maand ben heb ik een eigen huis gekocht en ben ik vierentwintig geworden.

Ik wilde ze niet kwetsen. Pas toen ik achttien was heb ik voor het eerst gevraagd: 'Waarom hebben jullie me geadopteerd?' Jos en Wim zeiden: 'Omdat je daar helemaal geen kansen had.' Datzelfde jaar kon een vriend goedkope tickets naar Indonesie krijgen.

Gewoon, voor vakantie. Jos en Wim waren als de dood. 'Neem in godsnaam een ander land', zeiden ze. Achteraf weet ik waarom ik ging. Ik wilde controleren. Kijken of het waar was dat ik daar geen kansen had. Het werd dus geen vakantie maar een zoektocht.

Als je het vliegtuig uitstapt ruik je alles weer. Het eerste wat ik wilde doen was proberen durian te eten. Dat is een heel bijzondere Indonesische vrucht. Nederlanders vinden dat durian naar poep ruikt. Alleen echte Indonesiers vinden hem lekker. Ik vind durians ontzettend lekker.

Ik heb mijn Chinese zussen dat jaar teruggevonden. Mijn vriend tolkte. Het was afschuwelijk. Kil. Terug in het hotel was ik zo verdrietig. Ik heb mijn koffers ingepakt. Maar die avond belden ze weer. Er is een nieuwe ontmoeting geweest. Ze kwamen los. Ze gaven me allemaal een ring. Om te laten zien dat de band was hersteld. Maar toen zeiden ze: 'Edison, het spijt ons, maar je wilde heel graag weg omdat de buren hadden verteld dat de Chinese moeder je moeder niet was.' Met z'n allen gingen ze tegen me in. Maar ik weet zeker dat het niet zo was! Zulke dingen onthou je.

Ik heb de Chinese moeder ook gezien. Het was klote. Ik wilde dat niet mijn zussen namen me opeens mee. Naar het huis van vroeger. Alle buren stonden door de ramen te kijken en zij, zij deed alsof ik was teruggekomen om haar te eren. Terwijl iedereen weer zei: 'Je wilde zelf weg'. Ik was razend. En toen zei de Chinese moeder ook nog: 'Was een jaartje eerder gekomen, dan had je je vader kunnen zien. Nu is hij dood.' Ik mocht bij mijn zussen blijven. Ze zeiden: 'Waar vind je het leuker, Edison? In Nederland of hier?' Ik wist het niet. Toen ben ik mijn echte moeder gaan zoeken.

En nou moet ik ieder jaar terug. Lucia zoek ik altijd op in het ziekenhuis. Die zegt dat ik heel gelukkig moet zijn. Omdat ik in Nederland zoveel kansen heb gehad. Maar waarom? Die keuze heb ik niet gemaakt.

Ik denk dat je pas gelukkig bent als je weet wie je moeder is. Dus zoek ik mensen op die over mijn echte moeder kunnen vertellen. Ieder jaar ga ik door bij de persoon waar ik het jaar daarvoor gebleven ben. Ik moet haar zien, als is het maar een foto. Ik heb nog geen foto gezien.

Ik weet nu wel waar ze woont. Dat ze getrouwd is en twee dochters en nog een zoon heeft. Dat ze onderwijzeres is. Over mijn echte vader weet ik niks. Die interesseert me ook niet. Want er werd me gezegd dat ik erg op mijn moeder lijk. Ik ben al zes jaar aan het twijfelen. De man van mijn moeder weet niet dat ik besta. Dan kan ik toch niet binnenlopen: 'Hallo, hoi, ik ben er nog?' Ik zou een schande voor mijn familie zijn.

Jos en Wim snappen het. Ze hebben me een taalcursus Indonesisch cadeau gedaan. Ik heb een heel speciale band met Jos. Volgens mij vindt ze mij het liefst van allemaal. Toch neemt Jos het zichzelf nou kwalijk dat ze me daar heeft weggehaald. 'Jij, met jouw capaciteiten', zegt ze, 'jij had het overal kunnen redden. Jij had zelf moeten kunnen kiezen'. Ik heb vrienden die ook geadopteerd zijn. Sommigen hebben het ook. Ben je eindelijk volwassen. En dan denk je, hoe ik geworden ben, dat is allemaal begonnen met de keuze van iemand anders. Daar zou ik een ander geworden zijn dan hier.

Ik probeer het over te doen. Ik ga ieder jaar naar Indonesie om misschien mijn moeder op te zoeken. En steeds als ik daar ben durf ik het toch maar niet. Maar ik moet erheen blijven gaan tot het kan. En als ik terug kom in Nederland ben ik maanden kalm. Tot het weer begint.'