Vooruitgang en milieu

Niemand twijfelt in ernst aan de vooruitgang. Natuurlijk zijn er altijd wel weer cultuurfilosofen en sociologen die klagen over het verval der beschaving, de achteruitgang van zeden en moraal, de oude gezelligheid die is verdwenen, de ruwheid der zeden, de kerken die leeg zijn, het verval van het onderwijs, de verloedering van de universiteiten ontworteling en anomie, intolerantie en rassendiscriminatie, het verlies aan gemeenschapszin, vroegtijdig geweld op de televisie, zinloos geweld op straat, zinvol geweld op het voetbalveld, het toenemende aantal echtscheidingen, het uiteenvallen van het gezin, het drugsgebruik, het niet meer samen muziek maken in de huiselijke kring, de teloorgang van Halma en Mens erger je niet en nog veel meer.

Maar daar trekken wij ons meestal niet veel van aan, want wij weten dat het vroeger ook niet pluis was en dat wij het nu in ieder geval beter hebben dan de mensen van toen.

Natuurlijk missen wij dingen van vroeger. Het vakmanschap dat is verdwenen, de oude ambachten die niet meer bestaan. De bourgognes van nu zijn die van veertig jaar geleden niet meer, de tomaten smaken naar niets, de bio-industrie heeft ons iedere vleeslust ontnomen. Waar vind je nog een sterappel? Wanneer krijgen wij weer eens een echte Hollandse winter? Kortom: 'ou sont les neiges d'antan?' Maar iedereen beseft dat hier veel tegenover staat: Australische chardonnay, kaas uit de hele wereld, aardbeien all year round, voorgebakken frites, centrale verwarming, zestig tv-kanalen. Tel uit je winst.

Wel zien wij een toenemende uniformisering en gelijkschakeling. Zo verliest Europa veel van zijn boeiende verscheidenheid. De hoofdstraat van Sevilla, die veertig jaar geleden nog een overweldigende, exotische, zuidelijke indruk maakte ziet er nu uit als een replica van de afzichtelijke Leidse Haarlemmerstraat en biedt dezelfde huiveringwekkende reeks winkels voor snoepgoed, hamburgers, spijkerbroeken, video's en 'geluidsdragers'. Daar wordt de reiziger inderdaad niet vrolijker van. Maar de lokale middenstand wordt er wel rijker van. Dus wat valt er eigenlijk te klagen?

Zoals bekend is de objectieve prijs die wij voor al deze mobiliteit en consumptie moeten betalen een toename van het geluid en het subjectieve gevolg hiervan een bij vlagen in woede omslaande irritatie, nog meer over een voorbijrazende brommer zonder uitlaat dan over een laag overvliegende Boeing 747. Niet alleen is het geluid van de laatste draaglijker dan van de eerste, maar bovendien kun je bij die Boeing nog denken dat hij vijfhonderd mensen vlug, veilig, voordelig en redelijk comfortabel naar de andere kant van de wereld brengt, terwijl die brommer uitsluitend dient om de lawaailust van een puistige puber te bevredigen.

Er valt dus wel degelijk wat te klagen, maar wie even nadenkt, zal beseffen dat het nog maar nauwelijks een halve eeuw geleden is dat de penicilline werd uitgevonden en niet veel meer dan een eeuw dat de aspirine op de markt kwam. En dan heb ik het nog niet over andere pijnstillers en geneesmiddelen, operatietechnieken, prothesen en preventieve onderzoeken. Laat staan over het meest overtuigende voorbeeld van alle, de tandartsboor. De verzuchting: 'ou sont les dentistes d'antan?' heb ik dan ook nog nooit gehoord. Je moet, kortom, wel een heel opgewonden dichter zijn om te geloven dat je 'eeuwen en eeuwen te laat bent geboren'.

Nee, aan de vooruitgang in welvaart en welzijn, informatie en communicatie zal niemand die bij zijn verstand is twijfelen en er is dan ook maar een ding dat bij alle tevredenheid over onze tijd en welvaart, bij als ons reizen en trekken, consumeren en produceren aan het geweten knaagt, in ieder geval bij de Beschaafden en Verlichten, en dat is het milieu. Wij hebben het goed, maar dat is slecht voor het milieu. En als de regering ons laat weten dat het beter gaat, 'met name met lucht en water' dan kunnen wij nog zo vaak de grote Van Dale raadplegen, maar geloven doen wij het niet. Het gaat slecht met het milieu en het zal alleen nog maar slechter gaan, als straks de hele wereld ons leef- en consumptiepatroon heeft overgenomen. Nu bezit de Vietnamees, de Chinees, de Indier soms een fiets of, als hij rijk is, een bromfiets; een enkele yup heeft een scooter of motor en enkele zeer geslaagden hebben een auto van zichzelf, van de zaak, van de overheid of van de partij. Maar als al die talloos veel miljoenen straks ook allemaal een auto bezitten of zelfs twee, net als wij, dan is er geen houden meer aan.

En wie kan hun dit recht ontzeggen? Het milieu is dus het probleem.

Dit alles lijkt overtuigend, maar is het dat ook? Als wij er vanuit gaan dat het nu slechter gaat met het milieu, dan moet het vroeger beter zijn geweest. Maar wanneer dan wel? Vijftig jaar geleden, toen wij weliswaar nog niet allemaal een auto hadden, maar wel vieze steenkool stookten in plaats van het schone aardgas van nu? Toen was de smog van Londen zo berucht dat iedereen het begrip 'peasoup' kende, als het al niet uit eigen ervaring was dan toch uit de detectiveromans.

Honderd jaar geleden dan? Toen waren er nog geen auto's. Maar er waren wel zeer vervuilende fabrieken en de gemotoriseerde paardenkrachten van nu werden toen geleverd door die paarden zelf, die als tegenprestatie de steden bedekten met onafzienbare hoeveelheden poep. Honderdvijftig jaar geleden dan? Toen zwermden de kolonisten uit over Noord- en Zuid-Amerika, Rusland en Australie en kapten daar de bossen, om land voor de landbouw te scheppen. Dat was dus ook geen milieuvriendelijke tijd. Wanneer dan wel? In het neolithicum misschien, toen er dertien ton brandhout nodig was om de kalk voor de muren en de vloer van een woning te vervaardigen?

Dit laatste gegeven was mij tot voor kort onbekend. Ik ontleen het aan een boeiende lezing over Technological Development and Global Environmental Change, die Jesse H. Ausubel gaf voor het Institute for Advanced Study in Boedapest. De strekking van deze voordracht is een optimistische. De spreker laat zien dat op milieugebied geweldige vooruitgang is geboekt. Hij geeft hiervan een groot aantal voorbeelden. Energie: er wordt in de moderne industrie veel minder koolstof gebruikt dan vroeger en de totale energie-efficientie is sterk toegenomen.

Land: sinds het midden van deze eeuw is, ondanks de sterke groei van de wereldbevolking, het voor de landbouw gebruikte grondoppervlak niet of nauwelijks toegenomen, dit dankzij een enorme productiviteitsstijging. Gezondheid: vroeger stierf in een land als Amerika vijftig procent van de mensen aan ziekten die met de vervuiling van lucht of water te maken hadden. Nu is dat nog maar vijf procent.

Ausubel noemt nog veel meer van zulke voorbeelden en hij illustreert zijn betoog met tal van grafieken, tabellen en statistieken. Hij geeft ook duidelijk aan op welke bronnen hij zich baseert. Ik bezit op geen van deze gebieden ook maar enige deskundigheid en kan zijn cijfers en conclusies dus niet controleren, maar het zou interessant zijn de reacties van onze vele milieuspecialisten hierop te vernemen. Vooral als zij die op even heldere en aansprekende wijze zouden presenteren als Ausubel doet.