Trou moet blijcken

Verjaren

Zo kwam de dag dat kleren kleren waren en elke wens hem weer te laten leven een daad van diep geloof, een streven om flarden van herinneren te sparen die elk op zich te mistig bleven om vlees te worden, geur te geven laat staan een samenhangend beeld te weven van wie hij was voordat hij stierf. Dus gooide ik zijn kleren weg zijn foto verbleekte aan de muur en hij verdween voorgoed. Alleen zijn naam bestaat, een steen nog even en hij is geruimd, dag Romeo Th. van Os (geb. 1954)

Om stemmingen vast te houden - en op te roepen - die te maken hebben met vergankelijkheid en vluchtigheid, daar leent de poezie zich uitstekend voor. Vast omdat een gedicht zelf zo kort duurt. Door de breedsprakerigheid die bij proza hoort wordt dat soort stemmingen vaak meteen gedood. Wie een gevoel van gemis of een ervaring van vergankelijkheid omstandig gaat uitleggen brengt de onbestemdheid van het gevoel en de kortstondigheid van de ervaring om zeep.

En juist een goed gedicht legt niets uit, laat staan omstandig. Het effect van een smartelijke flits blijft overeind omdat het gedicht zelf vaak een smartelijke flits is.

Verjaren, verbleken, flarden, mist - het zijn woorden die duidelijk maken dat ook dit gedicht een tussentoestand behandelt. Een tussentoestand van korte duur, of liever gezegd een overgangstoestand - het ene is al definitief ingetreden en een glimp van het andere is er nog. Zoiets kan je alleen oproepen in een gedicht, omdat een gedicht een optelsom is van omtrekkende bewegingen en omdat een gedicht van ophouden weet.

Dit is een gedicht zonder pathetiek. Toch zet het even een flitslicht op zowat de meest troosteloze ervaring die de mens kent, de ervaring van het definitieve afscheid, het totale verdwijnen. Er was iemand die ons liefde vroeg of gaf, er is een lijk er is een herinnering en een portret, er zijn herinneringen die je in de steek laten en een portret dat verbleekt, er is een klank en een laatste glimp, er is helemaal niets meer.

Allemaal mooi en wel, maar geef zoiets eens even vluchtig weer als het in werkelijkheid is. Laat zoiets eens net zo schrijnend opflakkeren als in de realiteit. Dat kan dus alleen in een gedicht.

In dit gedicht. Niet door die ervaring uit te leggen maar door zomaar een paar woordjes op de juiste plek te zetten. Niet door te roepen in een toeter, maar door hier en daar achteloos iets te laten vallen. Ach, wat kunnen dichters veel bereiken door zo weinig mogelijk te doen.

Een paar bescheiden accenten heeft Th. van Os in dit gedicht maar nodig. Dit keer geen seks en hardhandigheid, thema's waar de poezie van Van Os in uitblinkt. Hij schrijft hier in feite een ietwat traditioneel gedicht, met rijm, cesuur en enjambement op de poetisch correcte plaatsen. 't Is of hij zo weinig mogelijk wil opvallen om zoveel mogelijk in zijn opzet te slagen: het oproepen van het schokkend besef van voorbij en o, voorgoed voorbij.

Zo kwam de dag dat kleren kleren waren

- de evocatie van het voorbij begint niet voor niets met de kleren van de dode. Kleren - het was wat het dichtst bij zijn huid was. Kleren vormden zijn lichaam toen hij nog leefde. Kleren droegen zijn geur. Kleren waren, om kort te gaan, de drager van het tastbare en het vluchtige. Spreekt misschien ook ergens de betekenis kolere kolere mee? De verdubbeling zou het doen vermoeden. Maar kleren kleren is op zich al bitter genoeg.

Verbittering over het vervagen: dat er zelfs voor de wens om iemand te laten herleven nu een diep geloof nodig zou zijn betekent dat er aanvankelijk iets van een geloof heerste. Dat geloof werd volstrekt ongeloof, elk streven werd een onmogelijkheid. De realiteit dient te worden aanvaard, de kleren zijn gewoon weer wat ze waren - kleren.

Het sparen van flarden, de mistigheid van elke herinnering op zichzelf: wat hier staat is dat de reconstructie van de dode neerkomt op het verzamelen van mist, op de optelsom van nul en nul.

Ook de laatste geur heeft de kleren verlaten en daarmee verdween zelfs het onstoffelijke beeld van het lichaam, het samenhangende beeld van hemd en geur en lijf.

Dus gooide ik zijn kleren weg

- het klinkt niet eens cru, het is de logische gevolgtrekking van het voorafgaande. Het hadden ook de kleren van zomaar iemand kunnen zijn.

Lichaam weg herinnering weg. Zowel de kleren als de foto weg. Een allerlaatste glimp nog, de naam op de steen -

nog even en hij is geruimd -

- niet alleen fysiek opgeruimd, opgeruimd ook in de herinnering van de dichter. Bitter dat op het sterven nog de vergetelheid volgt. Dat er na het verdwijnen van de aarde ook nog eens uit het hart verdwenen moet worden. Of de dichter dit al of niet betreurt, we weten het niet, hij beseft het in elk geval -

nog even en hij is geruimd, dag Romeo -

- snel na de komma, prevelt hij nog een laatste vaarwel. Een accentje dat klinkt als een klok. Een simpel dag. De simpele naam Romeo, de naam van alle jonge minnaars en geliefden.

Geen punt erachter, nee, een groet die wegechoot in het niets.

De dichter laat zijn Romeo zo grondig verdwijnen dat we zijn Romeo een seconde lang levensgroot voor ons zien. Alle Romeo's. Door het wegschrijven van Romeo schrijft hij een ode op de liefde. We zullen nooit weten of de dichter het dag Romeo achteloos wegwuivend bedoelde of dat het klinkt als een angstig piepje. Het zou daar ga je jongen, dat was het dan kunnen betekenen, het zou een ultieme uitroep van verlatingsangst kunnen zijn. Een tabee of een help. Wat doet het er toe? Er heeft iemand geleefd en hij heette Romeo.