Pensioen soepeler geregeld

De pensioenwetgeving wordt soepeler en meer toegesneden op de wensen van het individu. Dat blijkt uit een wetsvoorstel dat de staatssecretaris Vermeend (Financien) en Hoogervorst (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) gisteren naar de Tweede Kamer hebben gestuurd.

Het is de bedoeling dat de wet 'fiscale behandeling pensioenen' op 1 januari 1999 in werking treedt. Belangrijkste punten uit het voorstel zijn:

De pensioengerechtigde leeftijd (nu 65 jaar) is niet meer aan een minimum gebonden. De laagste leeftijd waarop aanspraak kan gelden op volledig pensioen is 60 jaar. Voor eerder pensioen geldt een korting.

Ook spaarloon kan worden gebruikt bij de opbouw van het pensioen. De fiscale behandeling is als die van lijfrentepremies: het moet dus gaan om individuele elementen van een pensioenregeling.

Jaarlijks kan 2 procent van het salaris worden gebruikt voor pensioenopbouw (nu 1,75 procent). Na 35 jaar wordt zo het 'volpensioen' van 70 procent bereikt. Wie langer werkt kan meer pensioen opbouwen, tot 100 procent van het laatst verdiende loon.

De opbouw van het pensioen loopt door bij tijdelijk parttime werken, in perioden van ouderschapsverlof sabbatsverlof, zorgverlof en studieverlof.

In de laatste tien jaar voor pensionering bestaat keuzevrijheid om die laatste jaren minder te werken of minder hoog gekwalificeerd werk (demotie) te doen, zonder dat dit gevolgen hoeft te hebben voor de hoogte van het pensioen.

'Uitruil' van nabestaandenpensioen voor ouderdomspensioen en andersom wordt mogelijk gemaakt.