Mulisch als Awater

Wees hier aanwezig, allereerste geest,/ die over wateren van aanvang zweeft.

Wie zoals Harry Mulisch met De procedure een boek schrijft over de schepping van de mens, denkt aan de beginregels van het gedicht Awater van Martinus Nijhoff. En zo bezien is het geen wonder dat Mulisch zich in het begin van De procedure, in de duisternis van zijn 'Genesis', laat bijlichten door Nijhoff, een dichter die in Awater deels spreekt in de tale Kanaans.

In De procedure richt Mulisch zich tot de lezer en roept hem op 'eer hier nu iets tot leven kan komen' om zich op verdere lezing voor te bereiden door inkeer en gebed, en door te baden in koel zuiver water. Daar verschijnt Awater, de naam die 'water' twee keer benoemt - 'a' betekent al water.

Als we ons hebben ondergedompeld in dat water, leest men de tweede alinea als een samenvatting van de eerste vier strofen van Nijhoffs Awater. Het is een gedicht over een man die werkt op een kantoor. De beroemdste regels uit Awater zijn 'Lees maar, er staat niet wat er staat.' Dat advies lijkt ook hier van toepassing.

Mulisch schrijft: 'Ik heb de bel van de telefoon en de huisdeur afgezet en het klokje op mijn schrijftafel omgedraaid; alles in mijn werkkamer wacht op de komende gebeurtenissen. De eerste lichtgevende woorden zijn in het ultramarijn van het computerscherm verschenen, terwijl buiten de verblindende, ondergaande zon over het plein schijnt. Uit de laaiende hemel in het westen stromen tramrails als gesmolten goud uit een hoogoven, tussen de zwarte bomen verschijnen auto's uit de baaierd, verdwijnen er in, mensen lopen aan het hoofd van meterslange schaduwen.'

Het voert te ver om het begin van Awater hier geheel te citeren, maar alle elementen die Mulisch opvoert zijn eruit afkomstig. Nijhoff zegt: 'De tijd wordt eindeloos.' en 'De telefoon slaapt op de lessenaar.' Mulisch draait de klok om en zet de telefoonbel af.

Awater heeft een schrijfmachine (die 'gekkenpraat' mijmert), Mulisch een computerscherm. Awater verlaat het kantoor langs een trap met leuningen 'met slangen koper', Mulisch ziet buiten 'tramrails als gesmolten goud'. Nijhoff: 'De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.' Mulisch: 'tussen de zwarte bomen verschijnen auto's'. Nijhoff: 'In elke schaduw wordt een licht ontstoken'. Mulisch: 'mensen lopen aan het hoofd van meterslange schaduwen'.

Mulisch lijkt zich hier te introduceren als Awater. Men ziet hem zitten in zijn werkkamer in zijn huis aan de Leidsekade in Amsterdam, kijkend naar het westen waar de ondergaande zon de tramrails door het Leidsebosje goud doet kleuren alsof ze stromen uit de Hoogovens. IJmuiden ligt achter het Marriott-hotel. Maar anders dan de Awater van Nijhoff, laat Mulisch zich niet afhalen door een dichter die op zoek is 'naar een reisgenoot'. Mulisch is voor zijn lezers een zelfbenoemde reisleider door de schepping.

Awater is een complex personage. Hij wordt vereenzelvigd met uiteenlopende figuren als de archetypische mens Elckerlyk, de profeet Johannes de Doper, de leidsman Mozes en de redder Christus. In het sanskriet betekent 'avatera' de incarnatie van god op aarde. En in De procedure gaat het ook om de goddelijke macht om leven te scheppen. De biochemicus Victor Werker produceert uit dode materie een 'eobiont', een uitvinding van de duivel in de mens.

Dat Mulisch een boek over de mogelijkheid van een kunstmatig gecreeerde mens zou schrijven, was reeds lang voorzien door de essayist R.A. Cornets de Groot. Achteraf gezien had Cornets de Groot de rol van Mulisch' profeet, toen hij in 1981 in Nooit zag ik Awater zo van nabij een studie publiceerde over Awater.

Daarin analyseerde hij Awater als een 'machinemens', de droom der oude alchimisten. Het is volgens Cornets de Groot een mensensoort waartegen Mulisch al bezwaar maakte in zijn boek De zaak 40/61 over Eichmann-proces.

Eichmann schreef Mulisch destijds, stond in een lange traditie van robotten, de Kunstmatige Mens van Albertus Magnus, de golem die ook voorkomt in De procedure: het onaanzienlijk vruchtbeginsel uit Psalm 139 vers 16, dat een mens van klei wordt. Reeds Goethe maakte zich zorgen over het naderende Maschinenwesen, en nu doet Mulisch dat opnieuw. Vanuit de hemel lazen Mozes, Johannes de Doper, Christus, Goethe en Awater ongetwijfeld over 's schrijvers schouder mee en zij zagen dat Mulisch' schepping goed was.