'Cultuur geen excuus voor immorele leiders'

Het eerste Wereld Cultuur Rapport van de UNESCO, de VN-organisatie voor onderwijs en cultuur, verscheen gisteren. Het is een pleidooi om cultuur een plaats te geven in het internationale politieke debat.

“Ik wil Karadzic en andere autoritaire heersers argumenten ontnemen voor etnische zuivering, voor het uitsluiten van inheemse bevolkingsgroepen. Ik wil argumenten uit handen nemen voor discriminatie van vrouwen. Cultuur moet belangrijk worden in het internationale politieke debat.'

Dat zegt de Mexicaanse antropologe Lourdes Arizpe voorzitter van het wetenschappelijk comite dat het eerste Wereld Cultuur Rapport van de UNESCO, de VN-organisatie voor onderwijs en cultuur opstelde. Zo staat het niet in de tekst, maar het is haar antwoord op de vraag - na afloop van de officiele presentatie - waar het ambitieuze rapport nu echt over gaat.

De zaal is leeggestroomd in het Parijse hoofdkwartier van de UNESCO. Directeur-generaal Federico Mayor heeft het boekwerk met zijn gebruikelijke zwier ten doop gehouden zonder te vermelden dat het weinig had gescheeld of het hele project had het interne politieke debat binnen de UNESCO niet overleefd. De VN-organisatie heeft er nauwelijks geld voor beschikbaar gesteld. Mayor wilde evenmin zeggen hoeveel het rapport heeft gekost. Hij volstond met een truc van de markt: “De prijs? Een habbekrats, gezien de toekomstige opbrengst'.

Een klein bedankje aan Nederland en Denemarken kon er net af. Dat moest ook wel, want de Denen stelden een effectieve coordinatrice ter beschikking aan het project en Nederland droeg een miljoen gulden bij, het leeuwendeel van de kosten. Andere landen, waaronder Frankrijk, vonden dat cultuur niet meetbaar was en hielden zich verre van de hele onderneming.

Die was overigens niet doorgegaan als Jan Pronk, in zijn vorige hoedanigheid van minister van Ontwikkelingssamenwerking, op het laatste moment niet over de brug was gekomen - de vraag is of Volkshuisvesting het tweede rapport (over twee jaar) moet redden.

Even curieus is de vraag waarom een antropologe uit Denemarken moest overkomen. Kon in dat hele Unesco-secretariaat in Parijs niemand zo'n project coordineren?

Ook de presentatie was apart. Het rapport was al in het voorjaar gedrukt in het Engels, maar de feestelijkheden moesten worden afgelast totdat een Franse tekst beschikbaar was. Kleine politiek blijft het ziekenhuis-virus van internationale organisaties. De kwaal valt meer op naarmate de verhevenheid van de doelstellingen toeneemt. Door de vertraging van bijna een jaar spreekt het rapport over 'de Aziatische financiele paniek', een wat luchtige aanduiding in het licht van de crisis die zich inmiddels heeft ontwikkeld.

Het rapport is de vrucht van samenwerking tussen een aantal economen, antropologen, sociologen en statistici. Grote en minder grote namen hebben bijdragen geleverd, die allemaal het woord cultuur in de titel dragen, maar niet allemaal uitgaan van eenzelfde cultuurbegrip. Het meest ongericht en tegelijk politiek geladen is het eerste hoofdstuk 'Cultuur en economische ontwikkeling', geschreven door J. Mohan Roa, hoogleraar ontwikkelingseconomieaan de universiteit van Massachussets in Amherst. Hij verwijt de liberale economie het verlangen te negeren om individuele basisbehoeften te definieren en besluit met een oproep dat 'global ethics' de 'global markets' gaan verankeren. Dit openingshoofdstuk bevat daartussen een weinig coherent betoog dat het rapport een ongelukkige start geeft.

De Nobelprijswinnaar Amartya Sen leverde een korte bijdrage over 'cultuur vrijheid en onafhankelijkheid', waarin zijn befaamd moeilijke werk onaangeraakt blijft. Boeiende observaties over de verspreiding van curry over de wereld monden uit in betrekkelijk voor de hand liggende goede wensen voor mondiaal begrip en respect.

Gedurfder en concreter zijn de vergelijkingen die de Franse socioloog Alain Touraine trekt tussen het negentiende-eeuwse sociale vraagstuk en de nu actuele roep om cultureel pluralisme te combineren met toegang van alle landen en burgers tot de technische wereldeconomie.

Het meest houvast geeft het rapport in de feitelijke hoofdstukken, waarin bijvoorbeeld de Noorse politiek ten opzichte van de Lappen wordt beschreven. Vooral het hoofdstuk waarin Adriaan van der Staaij (met medewerking van Jos Becker en Johan Verweij) een grote hoeveelheid opinie-gegevens over optimisme, tevredenheid, het bijbrengen van normen aan kinderen, toegang tot de arbeidsmarkt en opvattingen over huwelijk en seksualiteit uit de hele wereld bij elkaar heeft gebracht. Vertrouwen in de medemens is nergens zo hoog als in Noorwegen en China, Nederland scoort ook hoog, maar in Frankrijk en Oost-Europa tientallen procenten minder. Het huwelijk wordt overal betrekkelijk onthecht bekeken, al waren de islam-landen noodgedwongen ondervertegenwoordigd in de cijfers.

Het zijn dat soort, vaak verrassende gegevens, die Lourdes Arizpe en de haren het meeste recht geven om cultuur als een niet-statisch doem-gegeven te omschrijven. “Politici kunnen democratie niet weigeren op grond van hun eigen cultuur', schrijven zij in hun conclusies. En: “De landen die de recente Aziatische financiele storm het best hebben doorstaan zijn democratieen.'