Contractonderzoek als redding

Vorige week was ik gastdocent in een universitaire collegereeks bestuurlijke informatiekunde en kennismanagement. Op zeker ogenblik bleek dat niemand in het gehoor ooit over urenregistratie gehoord had - over het woord noch over de praktijk. Eerder was mij al opgevallen dat ook in de snel uitdijende kennismanagementliteratuur daarover nauwelijk geschreven wordt. Hoogstens wordt er een toespeling op gemaakt, meer niet.

Op zo'n ogenblik denk ik dat het nog wel meevalt met de commercialisering van het universitair wetenschapsbedrijf, waarover ik al jaren geboeid in de kranten de discussie volg en waarbij ik altijd associaties heb met de zuiverheid van de kinderziel. In mijn opvatting mag de relatie tussen de theorie en de praktijk wel degelijk inniger zijn dan nu het geval is. Universiteiten claimen geregeld hoe belangrijk ze wel zijn voor de kenniseconomie. Maar als de kloof tussen wetenschapsbeoefening en werkelijkheid zo groot is, waarin ligt dan die relevantie? Uiteraard gaat het bij een wetenschappelijke opvoeding niet enkel om de laatste maatschappelijke ontwikkelingen, maar ook om fundamenteel denken en leren leren, maar het helpt toch als dezen mede getoetst worden aan de hand van die ontwikkelingen? Sterker: het is belangrijk dat wetenschappers er op zijn minst een notie van hebben.

Wat mij betreft komt het de wetenschap dan ook ten goede als er meer contractonderzoek wordt gedaan en als universiteiten daar ook beter voor worden toegerust. Begrijp me niet verkeerd. Natuurlijk is vernieuwend fundamenteel wetenschappelijk onderzoek belangrijk. Het punt is alleen dat ik het zo weinig zie gebeuren. En de pakweg tien procent van het universitair wetenschappelijk personeel die dergelijk onderzoek bedrijft (waarschijnlijk een optimistische schatting), laat zich sowieso niet afhouden van dit 'echte' werk. Ik zie alleen het nut niet van het overeind houden van de fictie dat de overgrote meerderheid van het universitair proletariaat daar wel mee bezig is. Er is altijd zoveel onderwijs te geven - inderdaad !; er is zoveel te besturen, er zijn maatschappelijke functies te vervullen... Dat is de realiteit en laten we hopen dat die mensen op zijn minst aan een van die taken een mooie invulling geven.

Nu denk ik, in alle bescheidenheid, dat veel van die mensen sneller aan vernieuwend onderzoek zouden toekomen via contractonderzoek. Dan is er een klant en een contract en vroeg of laat moeten er resultaten liggen. Het is ook leuk als je weet dat er iets met je werk gebeurt. Zelf heb ik indertijd een prachtig proefschrift geschreven en ik heb er ook nog wel over gepubliceerd, maar het zou van overoptimisme getuigen te denken dat twintig mensen dat boekwerk hebben gelezen. Hoeveel proefschriften worden echt gelezen, hoeveel hebben een invloed op de verdere ontwikkeling van de wetenschap? Elk wetenschappelijk artikel wordt gemiddeld maar een paar keer gelezen en niet meer dan twee keer geciteerd. Ik herinner me wat een verademing het indertijd voor me was opeens opdrachtgevers te hebben die iets wilden met mijn onderzoek.

Ook had ik een boek als Het kennisoffensief nooit kunnen schrijven als ik niet via contractwerk in tientallen sectoren en honderden bedrijven een beetje in de keuken had kunnen kijken. Ik zou mij gewoon nooit zo snel bewust geworden zijn van de breedte en diepte van dat offensief op zoveel verschillende plekken. Nog steeds leer ik veel voor mij verrassende dingen doordat ik ergens wordt uitgenodigd om mee te denken over de problemen die zich daar stellen. Die varieteit in mijn persoonlijke wetenschappelijke voedingsbodem zou ik niet gaarne missen.

Moet ik me daarvoor schamen? Is wat ik doe daarom niet vernieuwend, niet wetenschappelijk? Eerlijk gezegd pieker ik daar niet over, maar ik heb er ook geen complexen over. Want ik zie iets dergelijks ook bij collega's. Veel van de meest vernieuwende wetenschappers die ik ken, doen eveneens veel contractwerk.

Mijn ervaring is dat je doorheen al dat werk stilaan een aantal lijnen begint te zien. Die voeden mede je belangstelling in volgend onderzoek. Doorheen de varieteit van je onderzoekswerk ontwikkel je zo een eigen onderzoeksprogramma. Dat programma wordt mede door verrassingen in de praktijk verder gestuurd. Een ongemeen boeiend interactief proces van praktijkervaringen, onderzoeksresultaten, zaken die je in de wetenschappelijke literatuur leest en flarden van eigen nieuwe inzichten.

Mijn stelling is daarom dat veel universitaire wetenschappers die uit zichzelf niet snel aan het onderzoek toekomen en daartoe in hun werk niet voldoende stimuli krijgen, via contractwerk juist voor het onderzoek gered kunnen worden. Contractonderzoek is dus een redding, niet alleen omdat het universiteiten aan bijkomende middelen helpt en hen dicht bij nieuwe ontwikkelingen houdt, maar ook omdat het in tegenstelling tot wat velen beweren, vele onderzoekers juist voor het wetenschappelijk onderzoek behoudt! Waarbij er natuurlijk over gewaakt moet worden dat er geen concurrentievervalsing is, dat er reele prijzen worden gevraagd. Echte commercialisering dus. Steeds meer zullen universitaire onderzoekers dan ook leren wat urenregistratie is, maar daarover een volgende keer meer.