Beide partijen hebben boter op het hoofd Huibregtsen belde terug en wilde dus iets kwijt

De rechtbank Amsterdam heeft op 28 oktober een vonnis uitgesproken in de zaak die ex-IOC-lid Huibregtsen tegen de Volkskrant had aangespannen. Het vonnis heeft in de media nogal wat stof doen opwaaien. Het ging om de vraag of de Volkskrant op 10 februari het commentaar had mogen publiceren dat Huibregtsen had gegeven in een telefonisch interview aan de journalist Van Wissen op het zojuist in het IOC bestuur benoemde lid van het koninklijk huis, prins Willem-Alexander. De Volkskrant publiceerde dat Huibregtsen in dat telefoongesprek had gezegd dat de kroonprins zich een judas had betoond en een saboteur en blijk had gegeven van lafheid.

De rechtbank vond, na de partijen gehoord te hebben en het summiere bewijsmateriaal in ogenschouw te hebben genomen (van de journalist: snelschrift aantekeningen op de achterkant van twee bankafschriften; van Huibregtsen: niet veel meer dan een ontkenning), dat de uitlating 'judas' wel had mogen worden gepubliceerd, maar de uitlating 'saboteur' en 'lafheid' niet. De strekking van het artikel vond de rechter wel juist. Het ging dus uitsluitend om de citaten.

Het vonnis vertoont alle kenmerken van de beslissing in een rechtsgeschil: het heeft veel te maken met de feitelijke details en toch zijn enige principiele vragen aan de orde. Ik onderscheid er tenminste drie: wanneer moet een (telefonisch) geinterviewde begrijpen dat hij publieke mededelingen doet, wat is de bewijs (documentatie)plicht van een journalist en wat is de marge van het weergeven van een citaat van een geinterviewde.

De eerste vraag heeft te maken met het complex van transacties tussen de pers en woordvoerders van publiciteitsgevoelige sectoren. Tot die sectoren behoren bijvoorbeeld de politiek en de sport. In dit geval gaat het over de sport. Beide partijen (pers en woordvoerders) zijn professioneel: zij leven in een concubinaat van geheim en onthulling en beide partijen weten wanneer zij het bed van het geheim delen en wanneer zij als vreemden tegenover elkaar in de openbaarheid staan. Wie zich niet aan de regels van het concubinaat houdt, loopt op den duur een blauwtje.

Huibregtsen en de journalist Van Wissen kenden elkaar goed en Huibregtsen had dan ook aangevoerd dat het telefoongesprek een vertrouwelijk karakter had gehad. De rechtbank verwerpt dat verweer, omdat hij als professionele woordvoerder tijdens het telefoongesprek had moeten begrijpen dat hij in het openbaar sprak.

Er was bovendien een feitelijk detail dat het verweer niet zo sterk maakte: de journalist had Huibregtsen voor commentaar gebeld, maar hem niet kunnen bereiken. Huibregtsen had vervolgens teruggebeld en commentaar gegeven. En dat was een gesprek uit Nagano in Japan. Hij was dus een IOC-lid die iets kwijt wilde.

De tweede vraag is lastiger. Wat is de plicht tot documentatie en bewijsvoering van de pers, in het bijzonder bij telefonische interviews? Ten eerste de plicht van bewijsvoering. In het Amerikaanse recht heeft het Hooggerechtshof in 1974 in de zaak Gertz gebroken met de traditie uit het Engelse recht dat de pers moet bewijzen dat de gepubliceerde mededeling waar is. Het slachtoffer van een publicatie heeft, volgens de algemeen geldende regel in het recht dat 'wie stelt, moet bewijzen', de plicht te bewijzen dat de gepubliceerde mededeling onjuist is. Dat klinkt persvriendelijk en zo stellen wij ons het Mekka van de persvrijheid ook voor. Hebben wij zo'n regel? Ik denk niet dat wij een duidelijke regel hebben. Een ongemotiveerde ontkenning van het slachtoffer (zeker in het geval van een professionele woordvoerder) is onvoldoende, het ontbreken van ieder bewijs van de journalist kan dat ook zijn.

Het is de vraag of de verschillen daardoor zo groot zijn. Het Amerikaanse recht kent namelijk ook de zogenaamde discovery en die houdt in dat partijen verplicht zijn iedere snipper papier die voor het bewijs van een zaak van belang is bij de rechter over te leggen. Als in een Amerikaanse zaak Huibregtsen de bewijslast zou hebben gehad dat de beweringen onjuist waren, had de Volkskrant dus toch de bankafschriften met de aantekeningen van de journalist moeten produceren.

En dan is het natuurlijk de vraag of de discussie bij de Amerikaanse rechter een ander verloop zou hebben gehad. De kwestie blijft dus toch hoe een journalist zijn verrichtingen moet documenteren. De techniek (getuige, blocnote, tape PC) doet er dan niet eens zoveel toe.

In andere beroepen geldt (bijvoorbeeld bij medici) dat deze een verifieerbaar verslag van hun verrichtingen bijhouden (de medische status, het operatieverslag). De pers is een minder gecontroleerd beroep en wil dan ook niet met dit soort beroepen worden vergeleken. Moeten wij daarom altijd het woord van een journalist zwaarder laten wegen? Ik denk het niet. Er is hier ook een relatie tussen bewijs en het verwachte effect van een publicatie. Het is maar beter om bij een publicatie die grote gevolgen heeft als pers een behoorlijk dossier te hebben. Maar goed, het nieuws gaat snel.

Het interessante van de beslissing van de rechtbank is dan ook dat het daarvoor begrip heeft en ook bereid is geweest het wel heel summiere bewijs van de slordige aantekeningen op het bankafschrift serieus te onderzoeken. Anders dan de meeste commentaren stellen volgt uit dit vonnis dus niet dat nu alles maar moet worden getapet.

De laatste vraag is de interpretatievraag. De rechtbank vond dat het artikel qua strekking overeind kon blijven maar dat twee letterlijke quotes niet zouden zijn bewezen. Op dit punt is kritiek op het vonnis op zijn plaats temeer daar Huibregtsen een professionele woordvoerder was. Als hij had willen voorkomen dat hem woorden in de mond werden gelegd, had hij explicieter kunnen zijn ('Dat zijn uw woorden'). De journalist moet een redelijke vrijheid hebben met wat hij nog als quote mag samenvatten, zoals in de Amerikaanse rechtspraak wordt aangenomen. Hij had natuurlijk ook meer voorzorgsmaatregelen naar het slachtoffer kunnen nemen, maar dat heeft hij niet gedaan. Hier smelt het principe van de zaak weg met de boter die beide partijen op hun hoofd hebben.