Amerikaanse aanpak nodig bij toponderzoek

Het is te hopen dat Dirk van Delfts bijdrage (NRC Handelsblad, 2 november) aan de discussie over de kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijke onderwijs en onderzoek iets wakker roept bij politici, hoge ambtenaren en tycoons uit het bedrijfsleven. Zijn betoog over de zorgwekkende positie van het fundamenteel onderzoek op de universiteit en in het bedrijfsleven onderschrijf ik ten volle, maar ik denk dat het nog moet worden aangevuld met een analyse van de historische achtergronden. Geen nieuwe bloei zonder inzicht in het ontstaan van de vorige bloeiperiode.

In 'De Tweede Gouden Eeuw. Nederland en de Nobelprijzen voor natuurwetenschappen 1870-1940' heb ik geprobeerd aan te tonen, dat tussen 1863 en 1876 door krachtige politieke maatregelen (zoals de stichting van de HBS en de forse uitbreiding in enkele jaren van het aantal professoraten) een basis is gelegd voor de snelle internationale opkomst na 1880 van de Nederlandse betawetenschappen. Er was meer aan de hand maar het meest tot de verbeelding spreekt dat het optreden van tien Nobelprijswinnaars kan worden verklaard uit het uitstekende onderwijs- en onderzoeksklimaat dat het gevolg was van de wetten die enkele decennia eerder werden ingevoerd. Ik schrijf 'tien' Nobelprijswinnaars, want behalve de zeven prijzen die tussen 1901 en 1929 werden gewonnen zijn ook de prijs voor Zernike uit 1953 en de economieprijzen voor Tinbergen (1969) en Koopmans (1975) bekroningen van werk van onderzoekers die voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland natuurkunde hadden gestudeerd.

De twee economie-Nobelprijzen zijn een goed voorbeeld van 'spin-off'-effecten van de exactwetenschappelijke bloei. Een ander, en misschien meer tot de verbeelding van politici en andere economisch geinteresseerden sprekend voorbeeld is de pioniersrol van Gilles Holst die door Gerard Philips belast werd met de opbouw van Philips' befaamde Natlab (waarop nu door Cor Boonstra bezuinigd wordt). Holst was eerder assistent van Nobelprijswinnaar Kamerlingh Onnes, die belangrijke vernieuwingen doorvoerde in het Leidse natuurkundelaboratorium en zo in staat was als eerste helium vloeibaar te maken.

Hoe kwam het nu dat ons land in de jaren '60 en '70 politiek zo voortvarend te werk ging? Evenals bijna tegelijkertijd in Duitsland was dit primair het gevolg van de opkomst van sociale groepen die beter onderwijs wilden en elkaar de bal toespeelden.

In de Tweede Kamer en op de universiteiten waren vertegenwoordigers van 'burgerlijke' middengroepen de baas. Het verdwijnen van de statische maatschappij van rond 1850 gaf nieuwe kansen aan talentvolle jongens (meisjes speelden nog geen rol) met welvarende ouders om zich door onderwijsprestaties te onderscheiden van minder goed geschoolde of door afkomst (adel) juist bevoorrechte leeftijdgenoten. Een wetenschappelijke carriere was ideaal om indruk te maken: moeilijke publicaties over het wezen van de werkelijkheid, mooie apparaten professorale kleding. Niet alleen in Nederland heeft de opkomst van zo'n 'geestesadel' geleid tot wetenschappelijke, en in het verlengde industriele, dus economische bloei. Ik noemde al het voorbeeld van Duitsland, maar in de 20-ste eeuw zijn de VS natuurlijk het beste voorbeeld van een land met op cultureel en economisch gebied triomferende middengroepen.

Het is opvallend dat Nederland rond 1900 wel tegen de supermacht Duitsland opkon, maar rond 2000 niet tegen wereldmacht Amerika (terwijl bijvoorbeeld Zwitserland en de Duitse Max Planck-instituten daartoe wel in staat bleken). Een eerste verklaring voor dit historisch verschil is gelegen in een negatieve vergelijking tussen de onderwijspolitiek van Thorbecke en zijn opvolgers, en die van Cals en Van Kemenade. Thorbecke en zelfs de conservatieven uit zijn tijd hervormden het onderwijs om de kwaliteit te verhogen; de politici van onze tijd niet of nauwelijks. Onze onderwijshervormingen zijn er de laatste decennia vooral op gericht geweest om meer mensen te scholen zonder dat veel op het niveau gelet werd. Nee, terwijl het soms zelfs verlaagd werd (Mammoetwet, vierjarige studieduur).

Dat is vooral gekomen, omdat de laatste decennia geen sociale groepen aan de macht zijn geweest die zich met excellentie kunnen 'profileren'.

In een samenleving die tientallen jaren gretig nivelleerde loont het minder dan vroeger de moeite om de kop boven het maaiveld uit te steken. Om weer internationaal de top te kunnen halen moeten er dus groeperingen en partijen zijn die zich dat tot doel stellen en weer echte kwaliteit willen in onderwijs en onderzoek. Het is niet zo simpel om die nieuwe politieke machten te vinden. Toch is er ook een positief verschil met honderd jaar geleden. De opkomst van onze grote multinationals rond 1900 kwam mede voort uit ons toponderzoek, maar was economisch de eerste tijd waarschijnlijk minder onontbeerlijk dan het voortbestaan van die bedrijven in onze tijd. Wat zou Nederland zijn zonder Philips, Shell, Unilever en Akzo-Nobel? Antwoorden als 'niets' of 'weinig' verplichten ons tot verbetering van in ieder geval het voorbereidend wetenschappelijk en universitair onderwijs en tot bevordering van het toponderzoek, zoals in de bijdrage van Van Delft en in mijn boek uitvoeriger wordt betoogd. Als die verbeteringen er komen zullen de kansen vanzelf wel gegrepen worden door talentvolle jongeren. Je hoort vaak spreken over Hindoestaanse jongens of Turkse meisjes, maar er zullen veel meer groepen zijn waaruit de nieuwe wetenschappelijke top gerecruteerd kan worden.

We zitten hopelijk in een overgangstijd. Dirk van Delft noemt de toponderzoekscholen 'bureaucratisch'; ik denk dat ze vooral een uitvloeisel zijn van de in het nivelleringstijdperk doorgegroeide en zelfs dolgedraaide afstemcultuur. Inderdaad: de Spinozaprijzen van drie miljoen gulden voor persoonsgericht nieuw onderzoek zijn een veel betere, meer 'Amerikaanse' manier om bloei te bevorderen. Er is nog geen groot politiek draagvlak voor dit soort verbeteringen - de Tweede Kamer is vooral goed in het steunen van bezuinigingen -, maar het zou prettig en verstandig zijn als politiek en bedrijfsleven de lessen uit andere landen en tijden meer dan tot nu toe ter harte zouden nemen.