Verdrag Amsterdam 'niet spectaculair'

Het Verdrag van Amsterdam (juni 1997) was geen spectaculaire sprong vooruit naar verdere Europese integratie.

“Maar wie dat had verwacht leeft in een droomwereld.' Het verdrag was het maximaal haalbare en heeft in elk geval de weg geopend naar de geplande uitbreiding van de Europese Unie met Oost-Europese landen. Dit zei premier Kok gisteren in de Tweede Kamer bij de verdediging van het wetsvoorstel tot goedkeuring van dat verdrag. Dat voorstel mag volgende week bij de stemmingen op steun van een zeer ruime meerderheid rekenen alleen de kleine christelijke fracties, SP en GroenLinks zijn tegen. Maar niettemin was er ook stevige kritiek uit de coalitiefracties en het CDA. Bijvoorbeeld op de “onleesbaarheid” van het verdrag en op het voortdurende gebrek aan democratische controle in de Europese Unie. En voorts op het feit dat het niet is gelukt om de EU-instellingen (samenstelling/omvang Europese Commissie, stemgewichten per land in de ministerraad) en hun besluitvorming te hervormen. Op dat stuk is het verdrag volgens PvdA, CDA en D66 niet ambitieus genoeg. De VVD'er Weisglas had juist waardering voor het “toenemende realisme' en voor het respect voor de nationale identiteit.

Kok maakte duidelijk dat de regering pas een hervatting van het EU-debat over institutionele vernieuwing verwacht nadat volgend voorjaar de ratificatie van 'Amsterdam' in alle vijftien lidstaten (inclusief enkele referenda) voltooid is en er een akkoord is over de EU-financiering voor de periode 2000 tot 2006. In dat laatste akkoord, over de zogenoemde Agenda 2000, hoopt Nederland maart volgend jaar op een extra EU-Top in Dusseldorf ook een financiele basis te krijgen voor de beoogde beperking van zijn nettobijdrage, zei Kok.