Nationale overheid moet crisis bestrijden

Onder de titel 'De teloorgang van het gezond verstand' werd in NRC Handelsblad van 6 oktober een verkorte versie gepubliceerd van een openbare les van prof. K. van Wolferen. Het artikel bevat een bewogen pleidooi tegen de voortgaande bureaucratisering en commercialisering van ons wereldbestel. Democratische instituties moeten een sleutelrol gaan spelen in het beteugelen van “de ongereguleerde bedrijfsbureaucratieen'.

De huidige crisis in de financiele markten biedt wellicht een kans tot verbetering van die democratische instituties. Getuige de afloop van de recente IMF-vergadering lijkt het tevens de hoogste tijd voor “een nieuwe krachtige injectie met gezond verstand.' Er is kortom reden te meer voor het voeren van een brede politieke discussie, vooral op Europees niveau.

Degenen die de economisch-financiele politiek in de wereld uitstippelen lijken bij de huidige financiele crisis geconfronteerd te worden met het klassieke probleem dat er een structureel tekort aan middelen heerst om een veelvoud aan doelen te bereiken. De winnaar van de Nobelprijs voor economie, wijlen Jan Tinbergen, heeft er immers op gewezen dat voor het bereiken van een aantal verschillende doeleinden van economische politiek een evengroot aantal verschillende middelen noodzakelijk is.

Het lijkt er sterk op dat de wereldgemeenschap zich het gebruik van een aantal middelen om orde op zaken te stellen gewoonweg ontzegt, voornamelijk om redenen van ideologische aard. Daarom is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen wat op korte, middellange en lange termijn moet gebeuren.

Op korte termijn is een aanzienlijke uitbreiding van de financiele middelen van het IMF noodzakelijk. Tegelijkertijd moet een grotere democratisering van het Fonds ten opzichte van de wereldgemeenschap worden doorgevoerd en moet het IMF een grotere gevoeligheid tonen voor de specifieke omstandigheden waarin kwetsbare economieen verkeren.

Het IMF is door betweterigheid, gecombineerd met een structureel gebrek aan middelen, ongeloofwaardig geworden. In grote delen van de wereld ziet men het Fonds als een verlengstuk van westerse belangen.

Deze zwakte moet zo spoedig mogelijk verholpen worden. Dit vergt een politieke doorbraak ten aanzien van de dominantie van de westerse landen, met name van de Verenigde Staten.

Op middellange termijn komt daarmee een weg vrij voor een fundamentele uitbreiding van het arsenaal aan middelen. Daarbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan de invoering van een tweevoudige belasting op valutatransacties. Reeds meer dan vijfentwintig jaar geleden stelde Nobelprijswinnaar James Tobin een dergelijke belasting voor als middel om speculatief kapitaalverkeer af te remmen. Recentelijk heeft zijn voorstel opnieuw aandacht getrokken, met name binnen de VN, omdat hierdoor tegelijk omvangrijke middelen kunnen worden gegenereerd voor mondiale publieke taken. Hier is echter sprake van een dubbele doelstelling. Er zijn dus eigenlijk twee afzonderlijke middelen nodig.

Een ingenieus voorstel van econoom Paul Spahn biedt een mogelijke oplossing: stel een heel lage permanente belasting in (van bijvoorbeeld 0,001 procent) op alle valutatransacties, en tegelijk een veel hogere belasting die pas wordt geheven bij excessieve speculatieve transacties. Het instellen van zo'n lage permanente belasting wordt als voorwaarde verbonden aan het lidmaatschap van het IMF. Bij een zodanig laag tarief kunnen de transactiekosten van ontduiking prohibitief (dat wil zeggen onaanemelijk hoog) gemaakt worden, doordat nationale overheden en het IMF voldoende sancties uitoefenen ten opzichte van financiele instellingen die zich daaraan schuldig maken.

De opbrengsten van deze belasting (naar huidige schatting 25 miljard dollar per jaar) worden bestemd om de voortdurende economische aanpassingen, die het vrije internationale kapitaalverkeer vergt, sociaal te begeleiden, met name in de meest kwetsbare economieen.

De veel hogere heffing is in normale tijd nul, maar wordt van kracht bij speculatieve bewegingen. Spahn stelt hierbij een systeem voor dat veel lijkt op het oude EMS waarbij iedere valuta een bandbreedte krijgt toebedeeld. Zodra deze wordt overschreden treedt de heffing in werking. Het grote voordeel ten opzichte van het EMS is dat naast de rente en de valutareserves een extra instrument bestaat ter bescherming van de valutakoers tegen speculatieve bewegingen.

De tweevoudigheid van de voorgestelde valutabelasting loopt vooruit op een institutionele scheiding van taken op wereldniveau op de lange termijn. Financiering van mondiale publieke taken is niet de rol van het IMF, en kan ook op de lange duur niet beschouwd worden als taak van de Wereldbank, die leningen verschaft.

Het huidige systeem van mondiale publieke financiering mist een institutioneel instrument. Jan Tinbergen heeft de situatie niet ten onrechte vergeleken met het financieel-economisch beheer binnen een nationale staat.

Een nationale overheid financiert essentiele publieke taken niet door middel van leningen, maar heeft een ministerie van Financien, dat de middelen via belastinginning mobiliseert en in een door de politiek gestuurd proces toewijst. Zo zal er, aldus Tinbergen, geleidelijk aan een systeem van mondiale publieke afdrachten moeten ontstaan, dat aan de huidige ernstige onderfinanciering van mondiale publieke taken een eind maakt.

Daartoe behoren vooral investeringen in duurzame ontwikkeling armoedebestrijding en sociaal-economische zekerheid in het Zuiden, een solide financiering van de Verenigde Naties en de bescherming van de mondiale 'publieke goederen'.

Luchtfietserij, zo kan menigeen bij deze voorstellen denken, die de huidige chaos op de financiele markten in ogenschouw neemt en ziet wat daartegen gedaan wordt.

Maar leeft binnen de huidige bureaucratieen wel voldoende het besef over wat op het spel staat? Het is onze 'politieke beschaving', die volgens Van Wolferen onze bescherming waard is.

Bovenstaande ideeen van twee Nobelprijswinnaars helpen een richting aan te geven. Voor Europa ligt er de politieke taak daarin krachtig voor te gaan. Het gaat zoals Van Wolferen zegt daarbij om niets meer of minder dan 'een nieuwe roep om politieke aansprakelijkheid' binnen een Europees publiek domein.