Kritiek op Bundesbank is aan verkeerde adres

De roep om een verlaging van de Duitse rente groeit. Maar de Bundesbank beslist zelf al niet meer over het rentebeleid. Bovendien vinden de centrale bankiers een renteververlaging vooralsnog niet nodig.

Niet alleen de nieuwe Duitse regering-Schroder vraagt er om. Ook de meeste spelers op de financiele markten vinden dat de Duitse rente omlaag moet om de invloed van de internationale financiele crisis op Europa te temperen.

Zowel de Duitse regering als de financiele sector zet zich schrap voor de schok waarmee die financiele crisis in Europa zal aankomen. De groeiprognoses voor Duitsland waren door bankeconomen al teruggeschroefd naar tussen de 1,5 procent en 2 procent in 1999. Gisteren ging de Duitse regering daarin mee: de officiele prognose voor de economische groei volgend jaar is teruggebracht naar 2 procent. Bij zulke economische groei loopt de werkloosheid nauwelijks meer terug. In 1998 zal de werkloosheid uitkomen op iets boven de 11 procent. Een economische groei van 2 procent verlaagt de werkloosheid met slechts zo'n 0,3 procentpunt. En dat was niet wat Schroders SPD de kiezer had beloofd.

De tweewekelijkse vergadering van de centrale bankraad van de Bundesbank morgen vindt plaats onder verslechterende verwachtingen voor de economie. De nieuwe minister van Financien Lafontaine en zijn staatsscretaris voor internationale zaken Flassbeck zullen er als toehoorder bij aanwezig zijn. Beide hebben zich uiterst kritisch uitgelaten over de taakopvatting van de Bundesbank, die volgens hen niet alleen prijsstabiliteit moet nastreven, maar ook werkgelegenheid.

Vraag is of de roep om een lagere Duitse rente hout snijdt. Duidelijk is allereerst dat oproepen aan de Bundesbank op dit moment aan het verkeerde adres gericht zijn. In de aanloop naar 1 januari, als de euro wordt ingevoerd en de Europese centrale Bank het rentebeleid overneemt van de nationale centrale banken, werken die nationale centrale banken al samen alsof de euro er al is.

Per 1 januari moet de rente in al de elf eurolanden hetzelfde zijn. Dat is nu nog niet zo. Duitsland, Frankrijk en een aantal andere landen, waaronder Nederland, zitten met hun geldmarktrente op het laagste punt, 3,3 procent. Spanje, Italie Portugal en Ierland zitten er nog boven. Gisteren verlaagden Spanje en Portugal hun rentes, naar respectievelijk 3,5 procent en 3,75 procent en kwamen zo vlakbij het Duitse bodemtarief. Volgens Duisenberg was het “niet toevallig' dat dit juist tijdens de bijeenkomst van de bankraad van de Europese centrale Bank gebeurde, die gisteren plaatsvond in Frankfurt.

Als er dus een besluit wordt genomen over het al dan niet verlagen van de Duitse rente, dan is dit gisteren gebeurd in ECB-verband. Lafontaine en Flassbeck zitten morgen, bij de Bundesbank, in feite bij de verkeerde vergadering.

Duisenberg maakte gisteren andermaal duidelijk dat de convergentie van de rentes van de 11 euro-landen prioriteit heeft, en waarschijnlijk zal plaatsvinden op het lage, Duitse niveau. Pas daarna kan worden overwogen of de dan uniforme euro-rente inclusief de Duitse, verder naar beneden kan. In grote delen van Euroland met name in Italie en Spanje, is de rente nog nooit zo laag geweest als nu. De reele rente, gecorrigeerd voor inflatie, is volgens Duisenberg al op een historisch dieptepunt.

Dat geldt overigens niet voor Duitsland zelf, hoewel bij een inflatie van 0,8 procent de reele rente er, met 2,5 procent, nu wel zeer laag is. Lager dan in de Verenigde Staten, waar een geldmarktrente van 5 procent en een inflatie van 1,5 procent een reele rente opleveren van 3,5 procent - een vol procent hoger dan in Duitsland. Duisenberg zei gisteren bovendien dat het “hoogst twijfelachtig'is of een renteverlaging vanaf het huidige lage renteniveau de consumptie en investeringen in Europa, en daarmee de economische groei positief zal beinvloeden.

Berekeningen volgens de 'Taylor-rule', een formule waarmee de optimale rentevoet kan worden afgeleid uit verwachte en huidige inflatie en de trendmatige groei van de economie, wijzen volgens de zakenbank Goldman Sachs op een optimale 3-maandsrente van tussen de 3,3 procent en 4,1 procent, afhankelijk van een scenario waarin de inflatie extreem laag blijft of licht oploopt. De huidige Duitse 3-maandsrente zit er precies tussenin, op 3,6 procent. Daar komt nog bij dat de ECB zich in de woorden van Duisenberg “zorgen maakt' over de richting waarin het begrotingsbeleid van de euro-landen zich beweegt. Mochten de begrotingstekorten structureel oplopen, dan zullen de centrale bankiers minder bereid zijn om het rentebeleid te versoepelen. De Franse bankpresident Trichet onderstreepte dat maandag al. Extra overheidsuitgaven, waardoor het tekort oploopt, kunnen volgens hem leiden tot een terughoudend rentebeleid.

Dat betekent wel dat, in de ogen van de centrale bankiers, politici als Lafontaine het rentebeleid zelf met hun begrotingspolitiek indirect kunnen beinvloeden. En was invloed op het rentebeleid nou niet juist datgene waar de regering-Schroder naar streeft?