Kind krijgt vaker buitenlandse naam

De naamgeving van kinderen is in de loop der eeuwen weinig veranderd. Pas de laatste decennia rukken vreemde namen op.

Toen een vader vorig jaar zijn pasgeboren dochter als 'Panter Fonny Miracle of Love' wilde registreren, keek de ambtenaar van de burgerlijke stand in Amsterdam verbaasd op. Panter en Fonny konden wel, maar Miracle of Love, ook al was het kind een liefdeswonder, was “bespottelijk'. De ambtenaar weigerde de naam in het register op te nemen. De rechter besliste uiteindelijk dat Miracle of Love kon, mits er streepjes tussen de drie woorden stonden.

In beginsel is een ouder vrij in de keuze van een naam, maar ouders mogen namen die overeenkomen met een achternaam of die ongepast zijn, niet nemen. Van die vrijheid in naamskeuze maken de laatste jaren steeds meer ouders gebruik, zo blijkt uit onderzoek van D. Gerritzen. Zij promoveerde gisteren aan de Universiteit van Amsterdam op een aantal aspecten van naamgeving in Nederland.

Gerritzen concludeert dat tussen de late Middeleeuwen en 1960 naamgevingen van kinderen nauwelijks is veranderd. Katholieke ouders kozen ervoor hun kinderen een naam met Latijnse vorm te geven, zoals Catharina en Wilhelmus. Protestante ouders gaven hun kinderen typisch Nederlandse namen, zoals Trijntje en Willem. In de meeste gevallen kreeg het kind een roepnaam die een verbastering was van de officiele naam. Willem werd Wim Margaretha bijvoorbeeld Greetje.

Pas in de laatste decennia zijn namen ingrijpend veranderd. Namen als Bianca, Linda en Dennis, kwamen voor de oorlog niet voor. Dit komt volgens Gerritzen doordat de toegankelijkheid van vreemde namen, bijvoorbeeld door reizen, groter is geworden. Ouders doen in het buitenland inspiratie voor een naam op.

Opvallend is dat, in tegenstelling tot wat veel mensen denken ouders zich nauwelijks laten inspireren door televisiesterren of voetbalhelden.

Slechts 4,4 procent van de kinderen loopt met bijvoorbeeld de naam Lara (uit dokter Zhivago) rond. “Door de media is de namenschat van mensen wel groter geworden,' zegt Gerritzen. “Indirect heeft de media dus wel invloed.' Ook zelfbedachte namen komen zelden voor.

Ouders vernoemen hun kinderen bij voorkeur nog naar familieleden. Ruim 45 procent kiest voor een naam uit de familie, al worden die namen wel steeds vaker als de tweede of derde naam gebruikt. Jan, Peter en Johan waren tot in de jaren zeventig nog populaire namen, tegenwoordig zijn zij vaak een tweede naam.

Volgens Gerritzen worden voor zoons en dochters bij de naamgeving wel andere normen gehanteerd. Jongens krijgen vaker een naam uit de familie, bij meisjes gaat het vaker om de mooie klank. Daarbij zijn onder meer Sanne, Lotte en Lisa erg in trek. Jongens krijgen ook vaker een Nederlandse naam, zoals Jeroen en Maarten. Met 1,7 procent is Anna voor meisjes favoriet, voor jongens met 3 procent Stefan. In 1947 waren dat nog Johanna (6,2 procent) en Jan (7,48 procent).