Subsidies EU nationaal omslaan

Bij verdere afbouw van de steun uit Brussel zal de graanteelt uit Nederland verdwijnen. Renationalisatie van EU- landbouwsubsidies bevordert de integratie van nieuwe lidstaten, meent Cornelis Visser.

De ministers van Economische Zaken en Financien hebben onlangs gesproken over een meer evenwichtige verdeling van de afdrachten aan en de inkomsten uit de Europese Unie. Vooral Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Zweden vinden dat zij relatief te veel betalen. De gesprekken werden gevoerd aan de hand van een voorzet van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU.

In dit document, onder de prozaische titel Financing the European Union, wordt onder meer ingegaan op renationalisatie van 25 procent van de inkomenstoeslagen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het is mogelijk om een deel van de inkomenstoeslag voor boeren niet uit de Europese begroting te financieren, maar direct uit de nationale begroting. Voor Nederland zou dit gunstig uitpakken.

Deze strategie van beperking van de nettobijdrage is nog het meest haalbaar, omdat er geen unanimiteit in de besluitvorming voor nodig is. Voor Frankrijk, Denemarken en Ierland pakt de regeling financieel ongunstig uit. Zij zullen zich er dan ook tegen verzetten.

Het belangrijkste argument voor een gedeeltelijke renationalisatie, de uitbreiding van de EU met de landen van Centraal- en Oost-Europa, heeft totnutoe echter weinig aandacht gekregen. Bij de komende hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid stelt Landbouwcommissaris Fischler voor om de prijzen te verlagen en die maar gedeeltelijk te compenseren via inkomenscompensatie. Hiermee wil Fischler de kosten van de hervorming beperken. Toch maakt deze hervorming het landbouwbeleid naar verwachting zo'n 16 miljard gulden duurder. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de kosten van toetreding van de Oost-Europese landen, die na hun toetreding direct een claim zullen leggen op een zo hoog mogelijke inkomenstoeslag voor hun eigen boeren.

Het landbouwbeleid zal daardoor nog veel duurder worden dan nu al wordt voorzien. De oplossing ligt voor de hand. Niet alleen de EU moet opdraaien voor die extra kosten, maar ook de lidstaten zelf door middel van een gedeeltelijke renationalisatie van die toeslagen.

Volgens Europarlementarier Jan Sonneveld kan beter op die uitbreiding worden ingespeeld. Sonneveld gaat uit van een basispremie van bijvoorbeeld 50 procent die te allen tijde door de EU wordt uitgekeerd. Deze kan na uitbreiding ook binnen een relatief korte termijn in de Oost-Europese landen worden toegepast. Het resterende percentage kan facultatief door de lidstaat worden uitgekeerd. Dit wordt aantrekkelijk gemaakt door dit voor de helft mee te laten financieren door Brussel. De laagste bijdrage voor Brussel in het totaal is altijd 50 procent, de hoogste 75 procent.

Het maximumpercentage van 75 procent is dus gelijk aan wat de Commissie zelf heeft voorgelegd. Maar waar de Commissie uitgaat van een verplichting tot volledige uitbetaling van de inkomenstoeslag, gaat de verfijnde vorm uit van een verplichte uitbetaling van 50 procent, terwijl de rest naar eigen keuze door de lidstaat mag worden betaald. Deze resterende 50 procent zal onaantrekkelijk worden voor die landen, waar dit leidt tot een landbouwinkomen dat gemiddeld hoger is dan het inkomensniveau in de rest van de economie. Dit is naar verwachting de eerste jaren nog het geval in de Oost-Europese landen. Zodra het gemiddelde inkomen in deze economieen stijgt, kan de inkomensoverdracht aan de landbouwsector worden verhoogd. Maar tegelijkertijd stijgt ook hun afdracht aan de Europese Unie.

Ook in de vijftien landen van de EU zal deze verfijning leiden tot een zekere aftopping van de hoge inkomensoverdrachten aan grote bedrijven.

De maatschappelijke aanvaardbaarheid van het stelsel van inkomenstoeslagen kan daarbij hoger komen te liggen dan wanneer het geheel alleen door de EU wordt gefinancierd.

De renationalisatie-optie zoals die nu is besproken door de Europese ministers van Economische Zaken en Financien heeft voor de landbouwsector geen voordelen, enkel 's lands schatkist zou er wel bij varen. De landbouwsector ziet in renationalisatie van een deel van de inkomenstoeslagen een begin van concurrentieverstoring, omdat boeren uit de diverse lidstaten verschillende tegemoetkomingen kunnen krijgen. Zolang er een belangrijk Europees aandeel in de financiering van de inkomenstoeslagen blijft bestaan, hoeft dit maar in zeer beperkte mate het geval te zijn.

In het kader van de laatste GATT-vrijhandelsovereenkomst is een indeling gemaakt in factoren die als productieverstorend worden beschouwd en factoren die dat maar in zeer beperkte mate zijn. Inkomenstoeslagen vallen in de tweede categorie. Zeker wanneer ze ook nog gekoppeld zijn aan een aantal milieuvoorwaarden, worden ze door de GATT niet meer als concurrentieverstorend beschouwd.

Het zou voor de boeren aantrekkelijker kunnen worden gemaakt wanneer de voorgestelde prijsverlagingen van granen, rundvlees en zuivel door de lidstaten volledig zouden mogen worden gecompenseerd met cofinanciering door Brussel.

Op dit moment stelt Landbouwcommissaris Fischler slechts een gedeeltelijke compensatie voor. Bij voortgaande afbouw van de steun op Europees niveau zal een aantal teelten, zoals granen en rundvlees, uiteindelijk uit Nederland verdwijnen. Omdat Nederland op dit moment veel betaalt aan inkomenstoeslagen voor buitenlandse boeren, biedt de gedeeltelijke renationalisatie-optie hier enige financiele ruimte voor.

Zoals gezegd, worden inkomenstoeslagen maar in zeer beperkte mate als concurrentieverstorend beschouwd. Daarnaast heeft Brussel middels de cofinanciering en de controlefunctie van de Europese Commissie voldoende middelen om te zorgen dat de werking van de interne markt niet wordt verstoord. Een gedeeltelijke renationalisatie zou ook een stabiele basis vormen voor een betaalbare integratie van Oost-Europa in de gemeenschappelijke markt voor landbouwproducten.

    • Cornelis Visser