Marc Goethals vindt de wetten van de kosmos in een stuk salami

Tentoonstelling: Marc Goethals Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen (MUHKA)

Een zilverkleurige fietspomp prijkt in een rode omlijsting, en deelt de ingekaderde ruimte in twee. Marc Goethals (1956, Gent) deed even alsof de pomp geen pomp was en behandelde hem als een beeld, een glanzende streep. Goethals maakt wel vaker platte objecten die een minder platte voorgeschiedenis hebben. Op zijn tentoonstelling in het Antwerpse MUHKA hangen werken die lijken op een uitvergrote pennenstreek. Ze zijn van smeedijzer, en hebben namen als `boerenzwaluw' en `graspieper'. Goethals heeft de vlucht van vogels tot een schriftgebaar omgesmeed. Soms laat hij die schrift-lijnen in een dubbel krulletje eindigen alsof hij toch nog de link wilde leggen met het decoratieve van smeedijzer.

Goethals exposeert niet zo vaak, in Belgie is het drie jaar geleden. Het interessante aan deze tentoonstelling is bovendien dat recent met ouder werk wordt afgewisseld, teruggaand tot 1985. Er zijn collage-achtige werken bij, met zwarte silhouetten geplakt op foto's, en montages waarin allerlei taalelementjes op een aluminium drager zijn geschikt. Letters en woorden, zoals `lalala' of `magazine' afbeeldingen van een eierdopje of een paar wolken, dingen als een lap stof of een bord en geschilderde vlakjes. Alles naast elkaar. Dingen kunnen soms als beeld functioneren, zoals de spijkers die als regendruppels naar beneden vallen en het letterbeeld van woorden lijkt soms belangrijker dan hun betekenis. De taal blijft huiselijk bij Goethals, en spoort aan tot een aangename lectuur.

Goethals schildert ook, met acryl op doek, en hoewel in die schilderijen maar een techniek wordt gebruikt, ogen ze even geknutseld als de montages. De kleurige vormpjes die hij op een blauwe fond ordent zien er uitgeknipt uit. Reepjes en scherven, uitgesneden vierkanten en rechthoeken zijn op zoek naar een compositie. Soms groeperen ze zich rond een herkenbare vorm - een bloempot bijvoorbeeld.

In Slaper (1997) zit meer herkenbaars. Er zweeft een bed door het blauw, met een haarkruin die boven het deken piept. Rechts zien we een ballon, links valt een mannetje van een staketsel - of van een geschilderd strookje. Wat rond het bed zweeft, zou je kunnen betrekken op de slapende (en dromende?) man al levert dat geen verhaal op. En als je blijft kijken, zie je weer niets dan beeld- en vormknipsels, een uitgeknipt bed, een haarkruin die opgeleefd lijkt als een stukje papier, met die snipperige strengen haar.

Ik stel me voor dat Goethals deze schilderijen maakt op de werktafel, het doek plat voor zich. Niet zoals een klassieke schilder maar zoals iemand die een affiche lay-out - of iemand die de tafel dekt. Goethals' `werktafel-schilderijen' hebben vaak iets van opgehangen leesplanken. Ze vragen een leeshouding. Dat geldt voor al zijn werken. Naar een werk van Goethals kijk je niet als door een venster. Je stippelt wegen uit over het oppervlak, je zoekt leesrichtingen en kijkroutes. Soms brengt Goethals die bewust aan, en structureert hij zijn werk als een landkaart of een plattegrond.

Goethals schuift en puzzelt op de werktafel van de taal. Je hebt wel eens de indruk dat hij zich buiten hun betekenis om op die `taaldingetjes` concentreert, in een soort gedachteloze fascinatie voor een letter, een kleursnipper, of voor de smakelijke onzin van een groen mes naast een hoopje rode kool. In een recente kleurpotloodtekening geeft hij de witte spikkels van een schijfje salami weer met een precisie alsof ze de wetten van de kosmos verborgen.

Er zit een blind plezier in dit spel met stukjes beeld en taal, en dat blinde maakt het werk van Marc Goethals spannend. Als hij op een visueel grapje aanstuurt, wat soms ook wel gebeurt, verflauwt zijn werk onmiddellijk. Maar zulke knepen zijn gelukkig niet zo dominant.