Kunstenaar op straat niet autonoom

Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, vindt dat kunstenaars in de openbare ruimte minder vrijheid hebben dan in het museum. Anachronistische kritiek, riposteren ambtenaren belast met de aanschaf van kunst voor de straat.

In het Utrechtse Griftpark staan drie roestige mannen in de modder. Ze zijn onlangs aangeschaft door het Fonds Stadsverfraaiing: het resultaat van een complexe procedure.

Eerst kwam de adviescommissie beeldende kunst het voormalige bedrijfsterrein van de gasfabriek inspecteren. Is deze plaats geschikt voor kunst, was de eerste vraag die de commissie - bestaande uit kunsthistorici, architechten en kunstenaars - stelde. Tweede vraag: wat voor soort opdracht willen we en welke kunstenaar? De belangstelling ging uit naar de Duitse kunstenaar Thomas Schutte om zijn beweeglijke in elkaar gedraaide aluminium sculpturen en om zijn internationale allure. Het college van B en W nam het advies van de commissie over - zoals elk advies de afgelopen vier jaar is geaccepteerd - en de bevolking werd geinformeerd. “Kunstwerken moeten onze stad een uitstraling geven', zegt Mariette Dolle, coordinator van het Fonds Stadsverfraaiing. “Ah, Schutte, dat is Utrecht.'

Het aanschaffen van een kunstwerk voor de openbare ruimte is een ingewikkeld onderhandelingsproces. Afgelopen weekend beweerde Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum, dat een kunstenaar minder vrijheid heeft in de openbare ruimte dan in het museum. Gemeentebesturen laten volgens de museumdirecteur beeldend kunstenaars te gemakkelijk hun gang gaan op straat zonder rekening te houden met de omgeving of duidelijke richtlijnen te stellen over de maat, de schaal en het materiaal van het object. Voorbijgangers kunnen zich storen aan prive-uitingen.

Gemeenteambtenaren van culturele diensten reageren verbaasd op de uitlatingen van Fuchs. “We doen wel degelijk bestellingen op maat', zegt Mariette Dolle, coordinator van het Fonds Stadsverfraaiing in Utrecht.

“We zijn al tien jaar bezig het anders te doen', zegt Lily van Ginneken, directeur van Stroom, het Haags centrum voor beeldende kunst. De kunstenaar is zijn absolute vrijheid al lang verloren opdrachtgever en kunstenaar gaan nu `zakelijk' met elkaar om.

Sinds de Beeldende Kunst Regeling (BKR) is opgeheven, heeft het locale kunstbeleid niet langer een sociale grondslag. “Kunst is geen tewerkstelling meer. Wij onderzoeken als opdrachtgever de omgeving waarin een kunstwerk moet komen. Het licht, de natuur, de waterhuishouding. Zijn we eruit, dan nodigen we een kunstenaar uit.'

Opdrachtgevers zijn sparing partners geworden, zegt Tom van Gestel, hoofd van het Praktijkbureau Beeldende Kunstopdrachten. Het bureau financiert met een budget van 1,6 miljoen gulden jaarlijks ongeveer twintig bijzondere kunstprojecten in de openbare ruimte. Van Gestel brengt kunstenaars en opdrachtgevers bij elkaar en werkt samen met gemeenten en particulieren. “Tien jaar geleden waren ambtenaren cultuur doorgaans ongemotiveerd. Ze kwamen van de afdeling sportzaken of hadden het majorettenkorps onder hun hoede. Ze zeiden tegen een plaatselijke beeldhouwer: 'er is vijftigduizend gulden over voor deze straat. Maak maar iets voor op de hoek'.'

In de jaren zeventig en tachtig waren eenprocentsregelingen een stok achter de deur voor gemeenten om `iets aan kunst te doen'. Een procent van het budget voor infrastructurele werken moest worden gereserveerd voor een kunstwerk. Lokale overheden beschouwden de regeling dikwijls als overbodige kostenpost en een lastige artistieke verplichting.

Die desinteresse ziet Van Gestel niet meer zo vaak bij gemeenteambtenaren. Hij komt de ambtenaren tegen op tentoonstellingen.

Ze lezen kunstbladen en gaan op atelierbezoek. Ze zijn nieuwsgierig en zoeken zelfs in het buitenland naar stadsverfraaiing. Als er niet genoeg geld is voor het ideale plan, worden alle mogelijke subsidiebronnen aangeboord. “De kunstenaar verwacht ook een actieve houding van zijn opdrachtgever. Er wordt stevig onderhandeld voordat een samenwerking tot stand is gekomen. Het komt ook voor dat een kunstenaar een opdracht weigert. `Jongens', zegt hij `hier kan ik niks mee'.'

Thomas Schutte kwam in de lente van 1996 naar Utrecht om het Griftpark te bekijken. Hij sprak met de ontwerper van het net aangelegde stadsplantsoen en met de bewoners op een inspraakavond. Welk materiaal kon hij het beste gebruiken? Geoxideerd aluminium, zo luidde de communis opinio, want dat materiaal zou zich het beste aanpassen aan de groengele kleuren van het park. De omwonenden waren enthousiast. Een man bood aan de beeldengroep te bewaken.

“Als je de buurt er in een vroeg stadium bij betrekt', zegt Mariette Dolle van Stadsverfraaiing, “dan gaat die zich identificeren met een kunstwerk. Dat zagen we ook in de wijk Amerhof.' Vier jaar geleden ontwierp Hans van Houwelingen een Perzisch tapijt in baksteen voor het centrale plein van de nieuwe wijk. Aanvankelijk waren de bewoners sceptisch. Ze dachten aan de verwenste Tenttoren van Cornelius Rogge in Lunetten. Een monumentaal object van bruin cortenstaal dat in 1994 vanwege een lasfout werd afgebroken. Maar de wijkbewoners van Amerhof draaiden bij. Vorige week belde een mevrouw kunstenaar Van Houwelingen thuis op. “Hans er ontbreken een paar stenen.'

    • Jutta Chorus