Geen voorschrift voor de pers

Kort voor de ontknoping van de Watergate-affaire tekende Carl Bernstein een van de sterverslaggevers van de Washington Post, een voor zijn krant bestemd dreigement op, dat de verhoudingen tussen het Witte Huis en de Post op sinistere wijze illustreerde. Het dreigement kwam uit de mond van de Republikeinse campagneleider John Mitchell en was bestemd voor Katharine Graham, de directeur en eigenaresse van de krant, die zich de openlijke vijandschap van het Nixon-kamp op de hals had gehaald. Bernstein had Mitchell door de telefoon om commentaar gevraagd op een bericht over zijn betrokkenheid bij een geheime operatie tegen de Democratische partij.

Het telefoongesprek bracht bij de voormalige minister van Justitie een geweldige woede teweeg, die gevolgd werd door een platte scheldpartij. Bernstein noteerde: “Jullie kunnen alleen maar troep in de krant zetten. Het is allang tegengesproken. Als jullie dit afdrukken zal Katie Graham door een grote vette wringer worden gehaald. Christemeziel. Dit is het walgelijkste dat ik ooit gehoord heb.' In het Engels luidde het citaat: “Katie Graham's going to get her tit caught in a big fat wringer if that's published.'

De hoofdredacteur van de Post, Ben Bradlee kon het niet over zijn hart verkrijgen die woorden integraal af te drukken en schrapte het hoofdbestanddeel van het dreigement. Dat was een fameuze uitzondering op het credo van de Washington Post dat citaten in de krant letterlijk moeten zijn en nooit ter wille van de leesbaarheid geschminkt mogen worden. Bradlee had de specifieke verwijzing naar Graham geschrapt en het weggelaten woord vervangen door puntjes. In Washington bleef dat niet lang geheim en het citaat maakte, met inbegrip van het geschrapte woord, geschiedenis als het tit-in-the-wringer incident. In de memoires van Ben Bradlee (1975) en in die van Katherine Graham (1997) wordt het complete citaat vermeld, maar in de leggers van de Washington Post is de gekuiste versie nooit aangevuld.

Sinds het vonnis van de rechtbank in Amsterdam tegen de Volkskrant woedt ook in de Nederlandse journalistiek een discussie over de zuiverheid en de letterlijkheid van citaten. De definitie die ik hanteer is die van de hoofdstroom in de journalistiek: een citaat is de letterlijke weergave van gesproken woorden tussen aanhalingstekens. Een gulden regel is dat citaten als zodanig herkenbaar zijn, maar bovenal moeten kloppen.

De nauwkeurigheid van citeren is een journalistiek geloofsartikel dat zo oud is als de wereld van het gedrukte woord. De lezer moet er staat op kunnen maken dat citaten letterlijk en waarheidsgetrouw zijn, en wel zo letterlijk als ze aan de geciteerde zijn ontleend. Aan de met het gesproken woord worstelende journalistiek worden in dat opzicht hogere eisen gesteld dan aan het openbaar ministerie. Een officier van justitie kan in een tenlastelegging uitwijken naar de formulering “of woorden van gelijke aard of strekking' maar een journalist kan dat niet. De journalist moet instaan voor de letterlijkheid van zijn citaten.

De rechtbank in Amsterdam zegt in zijn vonnis tegen de Volkskrant dat een uitspraak van Huibregtsen “slechts door het plaatsen van aanhalingstekens als een citaat kan worden aangegeven als het gaat om een letterlijke weergave van hetgeen hij (tegen de krant) heeft gezegd.' Met dat deel van de definitie heb ik geen moeite. Wel met het volgende, waarin wordt gezegd dat citeren “iedere mogelijke nuancering' onmogelijk maakt. (“Door te citeren wordt immers iedere mogelijke nuancering van hetgeen volgens de publicatie door Huibregtsen is gezegd uitgesloten en krijgt de betreffende passage een authentiek karakter'). Dat deel van de definitie geeft een te beperkte uitleg aan het begrip citeren.

Iemand citeren met behoud van nuancering hoeft helemaal niet uitgesloten te zijn, zoals uit het voorbeeld van de Washington Post blijkt. Bij die krant - en in het algemeen in de Amerikaanse dagbladjournalistiek - is het usance om een geinterviewde naturel te citeren: met aarzelingen en halve zinnen en sprekende stiltes die door puntjes worden weergegeven.

Die methode dient misschien de leesbaarheid niet, maar ze vergroot de authenticiteit en heeft de verdienste nuancering mogelijk te maken.

De Volkskrant heeft het lid op de neus gekregen, omdat het in het Huibregtsen-interview volgens de rechtbank niet aan de eis van zorgvuldigheid heeft voldaan en om redenen van leesbaarheid als citaat heeft gepubliceerd “wat niet letterlijk door de persoon wiens woorden worden aangehaald is gezegd.' Op die gronden is de publicatie onrechtmatig bevonden.

Dat vonnis is pijnlijk voor de Volkskrant, pijnlijk vooral omdat de rechtbank op het hoofdpunt nadrukkelijk niet is uitgegaan van de goede trouw van de journalist, maar die pijn raakt alleen de Volkskrant. In een hoofdartikel heeft de krant de hele journalistiek onder het oordeel van de rechtbank willen brengen, maar daar geeft het vonnis geen aanleiding toe. Evenmin geeft het vonnis aanleiding voor de gedachte dat de Amsterdamse rechtbank het op de vrijheid van meningsuiting heeft voorzien. Dat grondrecht is niet in het geding, hoe de uitspraak in hoger beroep ook mag uitvallen. Vrees voor verplichte autorisatie van teksten voor publicatie is ongegrond. Het vonnis bevat geen enkel voorschrift aan de pers. Het zegt juist dat een verplichting om elk bericht voor publicatie aan degene aan wie de inhoud ervan wordt ontleend ter verificatie voor te leggen “geen grondslag vindt in het recht'.

Als het vonnis gevolgen heeft voor de journalistiek, zoals hier en daar gevreesd wordt, dan betreffen die niet zozeer een toename van civiele procedures als wel zekere ongemakken voor de praktijk van de journalistiek. Het genre telefonische interviews gaat lastige tijden tegemoet als de ondervraagde partijen zich meer van hun rechten bewust worden en voor publicatie inzage van hun geciteerde woorden eisen. Journalistieke principes zijn daarbij echter niet in het geding, hooguit de productiviteit en het gemak van journalisten. Maar misschien is dat wel een blessing in disguise.