Familiegeheim

Ze trekt weleens wat uit, maar zelden alles. Toen het voor de eerste keer gebeurde, dacht ik: meid, wat ben je lelijk! Ze leek precies zo'n tweebenig voorwereldlijk monstertje. En helemaal blauwig was ze. Ik wist in die tijd niets van haar familie. Maar nu de wetenschap het geheim heeft ontraadseld, zie ik haar naaktheid in een ander licht. Stel je voor: de familie Vogel is 150 miljoen jaar oud! Ze is indertijd aan de slag gegaan als een kleine saurier met wat veren.

Ik heb altijd vermoed dat ze geen echte vogel was. Een grijze roodstaart zonder veren is sprekend zo'n tweebenige saurier met dat gemene koppie op die sterke nek, waarmee ze kan uithalen als een zweep. Ze loopt ook graag en snel op die stevige poten, en aan vliegen heeft ze een uitgesproken hekel.

Ze is degelijk antiek bovendien. Alleen de inslag van een nieuwe meteoriet kan haar doen uitsterven. De vorige heeft haar soort op een haar na gemist.

Het beest zal nooit toegeven dat ze ziek is. Al zakt ze door de poten van de jicht, haar begroetingen klinken immer vrolijk en haar afscheid immer droef. Ik heb vernomen dat een papegaai die laat merken dat zij ziek is zonder veel omhaal wordt vermoord door de groep papegaaien waarin ze leeft. Een papegaai die pijn heeft laat dat nooit merken.

Ze trekt ook moeiteloos veren uit als daar reden voor is. Zoals die keer nadat ze spoorloos was verdwenen. Ik vreesde dat ze dood was. En ik verdacht de hond.

Niet ten onrechte. Elke hond in huis - en ze heeft er drie overleefd - kon haar bloed wel drinken. Dat komt zo. Een hond kan alleen maar luisteren naar de stem van zijn baas en blaffen. Dat is zijn lot. Een papegaai kan veel meer. Zij is gezegend met spraak. Dat is niet leuk voor een hond. Als de vogel zich verveelde, schreeuwde ze naar hartelust allerlei commando's naar de hond. Daarbij gebruikte ze mijn stem. Ze commandeerde van alles door elkaar. `Ga af!' wisselde ze af met: `Dat mag niet!' Vervolgens poetste ze heel even aan haar veren, keek met een schuin oog naar de hond en krijste dan: `Zit! Dat is braaf!' Gek werd zo'n hond daarvan. Instinctief begon het beest op de vogel te jagen.

Daar zei ik wat van.

Bijvoorbeeld: `Dat mag niet Petra!' Of `Foei!' Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Als de hond begon te jagen, schreeuwde de vogel al: `Dat mag niet Petra!' Voor de zekerheid vloog ze dan hijgend naar de gordijnrail. Je zag die hond denken: Ik vermoord dat kreng!

En nu was de vogel weg. Het was stil in de kamer. De hond lag in zijn mand te slapen. Hij had haar met huid en haar opgevreten. Ik wist het zeker. Hij kwam niet naar me toe zoals ik gewend was. Hij lag verdacht stil. Ik keek om me heen.

De vogel was nergens. En hoe ik ook riep, er kwam geen antwoord. Ze was dood. Ik zocht naar het bewijs. Een veer. Een druppel bloed. Maar niets. Ik zette het bankstel op zijn kant. Er moest een spoor zijn. Toen ik ten einde raad onder een kast voelde greep ik in iets warms en kleverigs: Bloed!

En daar was ze! Als een pakketje lag de vogel roerloos in het stof onder de kast. Ze was tegen zo'n milieuvriendelijke vliegenvanger aangevlogen. Ze was met lijmstrook en al naar beneden gedonderd. En toen ze zich probeerde te bevrijden van die kleverige rommel kwam ze steeds vaster te zitten.

Met zuivere alcohol en een schaar bevrijdde ik haar. Toen ik klaar was had ik een lijmstrook als de verentooi van een indiaan en een kleine kale saurier met wat veren. Ik zette haar in de kooi. En daar begon ze elke veer waar ook maar een beetje lijm aan zat uit te trekken. Behalve de veertjes op haar kop was ze naakt ze werd ziek van de lijm en ze sprak geen woord meer. Drie maanden lang.

Daarna kwam ze weer tot leven. Er kwamen nieuwe veertjes tevoorschijn. Ze kwam weer op mijn schouder zitten. Ze wilde weer vrijen. Alles was weer bij het oude. Ze wilde steeds vrijen, urenlang.

Vrienden die dat zagen waren ontroerd. Vooral dames. Dan dachten ze erover om ook een papegaai te nemen. Ik raadde dat af.

Het was voor de toeschouwer een roerend tafereeltje. Ze hing dat kale lijf vanaf mijn schouder languit aan haar poten ondersteboven tegen mijn borst aan terwijl ik zat te praten. Haar oogjes hield ze gesloten en ze siste zachtjes, terwijl mijn vinger haar nekveertjes streelde. In haar bek klemde ze een knoopje van mijn overhemd. Ze hield het voorzichtig vast. Als ik even stopte met strelen in de hitte van het gesprek, liet ze haar snavel met een tik van het knoopje afspringen. Dat was een eenmalige waarschuwing. Als ik het strelen nu niet snel genoeg hervatte, omdat ik mijn handen nodig had voor drukke gebaren klonk er een tweede tik en spatte het knoopje in duizend stukjes door de kamer. Mijn vrienden vonden dat leuk. Ze vonden het vertederend. Ik zat met de gebakken peren. Die knoopjes groeien niet meer aan.

Nu ik weet dat ze 150 miljoen jaar geleden is begonnen met die streken, kan ik haar gedrag beter relativeren. Noem het respect voor de ouderdom.