Een Duitse Van Mierlo?

“Un jacobin ministre n'est pas un ministre jacobin.' Deze Franse zegswijze, die verwijst naar de meest revolutionaire groepering in de Franse Revolutie, de Jacobijnen, kan misschien het best vertaald worden met: een revolutionair die minister wordt, is niet hetzelfde als een revolutionaire minister.

Deze wijsheid gaat ook op voor velen in de ploeg die vorige week de macht in Duitsland hebben overgenomen. Twintig a vijfentwintig jaar geleden behoorden Schroder en Lafontaine tot de radicale jeugdorganisatie van de SPD, die alles wilde veranderen. Zestien jaar geleden hielpen zij de toenmalige bondskanselier, hun partijgenoot Helmut Schmidt, ten val te brengen (en daarmee, indirect, Helmut Kohl in het zadel te hijsen).

Nu hebben ze de verkiezingen gewonnen met de leus: “Niet alles wordt anders, maar veel wordt beter.' Die leus deed het goed bij het `nieuwe midden', de grote groep die de laatste decennia tot welstand was gekomen en dus allerminst bereid was het verworvene door revolutionaire experimenten weer op het spel te zetten. Ook aan Duitslands verankering in de destijds verfoeide NAVO en de EU willen de nieuwe machthebbers niet morrelen.

De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, heeft misschien wel de grootste metamorfose doorgemaakt. Een generatie geleden stond hij ver links van de socialisten; hij was een straatvechter. Maar ook hij paste zich allengs aan de realiteit van het leven aan, die hij de laatste jaren zijn partijgenoten, met wisselend succes, onder ogen probeerde te brengen. Nu draagt hij das en driedelig pak.

Van hem hoeven Duitslands bondgenoten en partners dus geen vreemde kuren te verwachten. Zijn eerste uitlatingen als minister waren dan ook braaf orthodox, en mocht hij ooit last krijgen van oprispingen uit een ver verleden, dan moet niet vergeten worden dat zijn partij, die trouwens bij de verkiezingen van 27 september stemmen verloor, maar een heel kleine partner is van de SPD (resp. 6,7 en 40,9 procent van de stemmen).

Niettemin is het interessant kennis te nemen van zijn ideeen. In vraaggesprekken met twee Franse kranten heeft hij er een tipje van opgelicht. In Le Monde gaat hij op een filosofische tour die doet denken aan Van Mierlo. Van een Duitse minister van Buitenlandse Zaken zijn zulke bespiegelingen altijd interessanter (in de zin van: relevanter) dan van een Nederlandse. Laten we er dus kennis van nemen.

“Naar mijn mening zijn de betrekkingen tussen de staten niet het voornaamste probleem. Het probleem ligt veeleer in de betrekkingen tussen de samenlevingen, de intellectuele milieus, de politieke elites, de openbare meningen.

“Zelfs als de bilaterale betrekkingen heel belangrijk zijn, zullen wij slechts belangrijke vooruitgang maken wanneer we een Europese binnenlandse politiek hebben. Een Europese buitenlandse politiek kan trouwens slechts ontstaan als we een Europese binnenlandse politiek hebben.'

Dat is allemaal niet onjuist, maar wat moeten we ermee? Ja, wat betekent het eigenlijk precies? Wat is, bijvoorbeeld, een Europese binnenlandse politiek? Een en ander nader toelichtend komt hij niet verder dan te betreuren dat “we geen Europees debat hebben over onze verschillende ervaringen, onze filosofieen, onze angsten of de definitie van onze gemeenschappelijke doeleinden'.

Ook allemaal waar, maar een debat is nog geen politiek. De vergelijking met Van Mierlo, die het `drama van de redenering' belangrijker zei te vinden dan dit of dat standpunt, dringt zich weer op. Zulke praat, die tot niets verplicht hoort thuis in het cafe, niet in de ministerraad. Fischer is net in Londen geweest wel de laatste plaats waar je met zulke filosofieen moet aankomen.

In zijn vraaggesprek met Le Figaro heeft hij blijkbaar hardere taal gesproken, die sommigen heeft doen schrikken. Duitsland, zo zei hij, zal niet meer aarzelen “zijn nationale belangen te verdedigen'. De ex-communist Arnold Koper, die allesbehalve een `softie' is, vindt die taal “zorgwekkend' (de Volkskrant, 31 oktober).

Is dat zo? In de eerste plaats heeft Duitsland, zoals ieder ander Europees land, nooit anders gedaan dan zijn nationale belangen te verdedigen. In de tweede plaats hangt het er maar van af hoe Duitsland zijn nationale belangen interpreteert. Zo zag Kohl lange tijd een nationaal belang in het doen van concessies aan Frankrijk.

Het is veeleer verfrissend dat een Duitse minister van Buitenlandse Zaken er eerlijk voor uitkomt dat het zijn streven is de nationale belangen van zijn land te verdedigen. Europa is niet op gezonde grondslag gebouwd als van een land steeds verwacht wordt dat het zijn nationale belangen op een zacht pitje zet, terwijl de andere onbeschroomd de hunne mogen verdedigen al gebeurt dat onder het mom van `Europese belangen'.

Als Fischer een einde zou maken aan die schijnheiligheid, zou hij pas echt de naam van `realo', die hij in zijn partij had, verdienen. Trouwens, ieder die vals woordgebruik ontmaskert, verdient lof.