Bons

Nadat de Amsterdamse rechtbank uitspraak had gedaan in de zaak tussen de Volkskrant en de voormalige NOC-voorzitter Huibregtsen, plaatsten de journalisten de huifkarren in een carré, ze vergaten hun onderlinge twisten en in gesloten formatie openden ze het vuur. Deze krant leverde vier strijders: de schrijver van een hoofdartikel en de columnisten Frits Abrahams, Max Pam en Elsbeth Etty, en allemaal vonden ze het bedenkelijk dat Huibregtsen de zaak gewonnen had. Bij grote eensgezindheid is de redelijkheid vaak zoek.

Het hoofdartikel had de kop Bonzen en media. Het woord bons heeft in mijn leven een kleine betekenisverschuiving ondergaan. Vroeger een geliefd woord van De Telegraaf, altijd gebruikt voor een vakbondsbestuurder. Nu komt de bons meestal uit de sportwereld. Maar vroeger of nu, de mogelijkheid dat een `bons' het bij het rechte eind zou kunnen hebben, mag uitgesloten worden geacht.

In het artikel stond dat Huibregtsen `zijn gal mocht spuwen' in de Volkskrant. Dat `mocht' is een codewoord waarmee een journalist pleegt aan te geven dat hij van mening is dat een interviewer een dienst bewijst aan de geïnterviewde, in plaats van andersom zoals de rest van de wereld denkt. Toegepast op een artikel waardoor de carrière van Huibregtsen ontplofte, is dat `mocht' van een bijna sadistische ironie.

Mag ik de hoofdartikelschrijver er attent op maken dat de `onschendbaarheid van de kroonprins van het Koninkrijk der Nederlanden' waar Huibregtsen geen rekening mee zou hebben gehouden, een begrip is dat slaat op de ministeriële verantwoordelijkheid en allerminst betekent dat er geen kwaad woord over de prins mag worden gesproken? Of was dat ook ironie? Maar goed, genoeg gemuggezift.

Waar het in dat hoofdartikel om ging, was de verplichting die door het Amsterdamse vonnis leek te zijn geschapen om aan te tonen dat uitspraken die tussen aanhalingstekens in de krant komen, ook werkelijk gedaan zijn. Straks moet de bandrecorder misschien op tafel komen bij elk gesprek van belang. Het zou tot een beknotting van de mogelijkheden van de journalistiek kunnen leiden.

Buitenstaanders kunnen denken dat het een heilzame beknotting zou zijn. Als de bandrecorder loopt, zal de geïnterviewde zijn woorden misschien met meer zorg kiezen. Je zou dat ook een journalistiek belang kunnen noemen. En afgezien daarvan, die buitenstaander moet wel raar opkijken als hij ziet hoe schrikachtig de journalistiek wordt als er een zekere controle wordt geëist op de weergave van andermans woorden.

Toen ik het Volkskrantartikel waar het allemaal om ging indertijd las, dacht ik: of die Huibregtsen was stomdronken, of hij heeft het heel anders gezegd. Over dronkenschap is verder niet gerept, dus dat had ik mis.

De verdedigers van de journalistieke kraal deden na het vonnis of het allemaal om futiliteiten was gegaan. Noodzakelijke omzetting van spreektaal in schrijftaal, een miniscuul aanhalingstekentje verkeerd geplaatst. Uit de verslagen van de rechtbankzitting kreeg ik een andere indruk. Huibregtsen had over een sportbestuurder gezegd dat die de democratische procedures had gesaboteerd en eraan toe gevoegd, doelend op de kroonprins: ,,nu hij ook'. `Omzetting van spreektaal in schrijftaal' leidde tot de ferme uitspraak dat de prins een saboteur was.

Verder had journalist Hans van Wissen zelf een verhaal gehouden over laf gedrag van de prins en over wat er daarna gezegd was lopen de meningen uiteen, volgens Huibregtsen was het niet uitgesloten dat hij `ja, ja' had gemompeld en volgens andere versies was het `laf, ja' geweest. Jezus deed het handiger met zijn `U zegt het'. Maar een ongeprovoceerde aanval wegens lafheid, zoals het in de krant leek, is toch iets anders.

Als Huibregtsen met `de ergste judas' iemand anders dan de prins had bedoeld, had hij zich duidelijker moeten uitdrukken, vond de rechtbank. Daar zit wat in. Aan de andere kant vond de rechtbank niet dat de journalist de plicht had om nog eens na te vragen of hij de woorden goed had weergegeven. En als hij het toch had gedaan en te horen had gekregen dat hij die woorden helemaal niet goed had weergegeven, dan vond de rechtbank niet dat hij ook de plicht had om zich daar iets van aan te trekken. Het valt nog wel mee met de beknotting van de journalistieke mogelijkheden.

De journalistieke eensgezindheid was er niet toen het interview net verschenen was. In de rubriek van de Ombudsman van de Volkskrant lazen we dat er daar op de redactie een groep was die vond dat Huibregtsen wel degelijk een kunstje was geflikt. We vernamen ook dat journalist Van Wissen een goede bekende van Huibregtsen was die hem vaak sprak over zaken die niet direct met de krant te maken hadden, dat hij niet meer bij de sportredactie hoorde en al maandenlang niet meer over sport had geschreven, en dat hij juist daarom door de redactie was uitgekozen om dit klusje te klaren. Hmm... Volgens de rechtbank mag het, maar mooi is anders.

Van alle strijders tegen de beknotting van de journalistieke mogelijkheden maakte Elsbeth Etty het het bontst, niet alleen door Huibregtsen af te schilderen als een gewetenloze geldwolf, maar vooral door een merkwaardige juridische wending in haar betoog. Het zou een `omkering van de bewijslast' zijn als de gedaagde, in dit geval de Volkskrant, zou moeten aantonen dat de weergave van het gesprek waarheidsgetrouw was geweest. De bewijslast ligt immers bij de eiser, volgens Etty.

O ja? Als ik haar van de verschrikkelijkste misdaden zou betichten, en ze zou mij dan vervolgens voor de rechter dagen omdat ik geen enkele grond voor mijn beweringen had, zou ik er dan mee kunnen volstaan te zeggen: ,,Bewijs maar eens dat je die misdaden niet gepleegd hebt, de bewijslast ligt immers altijd bij de eiser?'

Vertrouw op ons, we hebben onze ambachtelijke journalistieke bekwaamheid en integriteit, dus controle is niet nodig. Dat zouden de politici eens moeten proberen, je zou de journalisten horen brullen.

    • Hans Ree