Accijns op kerosine in het verschiet; Verwachting Vermeend:

De accijnsvrijstelling op de vliegtuigbrandstof kerosine heeft zijn langste tijd gehad. Met het aantreden van de nieuwe Duitse regering, een coalitie van sociaal-democraten en groenen, gaat een kerosine-heffing tot de mogelijkheden behoren.

Dat verwacht staatssecretaris Vermeend (Financien). Hij zegt dit in een vraaggesprek vandaag met Het Financieele Dagblad. Op 1 januari neemt Duitsland het EU-voorzitterschap over van Oostenrijk. Volgens Vermeend opent dat de mogelijkheid om het onderwerp opnieuw op de Europese agenda te zetten. “Wij hebben daarvoor gepleit, maar van de vorige Duitse regering nooit enige steun gehad', aldus Vermeend. “Nu, met deze coalitie, zou hier een Europees akkoord over kunnen worden gesloten.'

De milieubeweging pleit al jaren voor een heffing op kerosine. Vliegen zou daardoor duurder worden, wat een ontmoedigend effect kan hebben. Bovendien zou de prijsverhouding tussen vliegen en autorijden `eerlijker' worden. Ter illustratie: de accijns op een liter benzine bedraagt ongeveer een gulden.

Nederlandse politici wilden daar in meerderheid niet toe overgaan, omdat kerosine-accijns de concurrentiepositie van de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen en van Schiphol zou kunnen schaden. Een heffing op kerosine zou alleen ingevoerd mogen worden in internationaal verband.

In vergelijking met andere Europese landen is de prijs van kerosine op Schiphol laag. Dit heeft onder meer te maken met de relatief korte afstand ten opzichte van de Rotterdamse haven waar de aardolie (de grondstof van kerosine) wordt aangevoerd. In geen enkel land wordt kerosine belast.

Vermeend verwacht bovendien dat Duitsland als voorzitter de zogeheten belastingconcurrentie in de Europese Unie zal willen aanpakken. In hun pogingen buitenlandse investeerders aan te trekken stellen sommige landen een lage winstbelasting in het vooruitzicht. Ierland kent bijvoorbeeld de zogenoemde tax-holiday: een bedrijf dat zich in Ierland vestigt, hoeft een aantal jaren geen belasting te betalen.

Vermeend is daarom voorstander van minimumtarieven en eenheid in het vaststellen van de grondslag waarover die tarieven geheven worden.

Nederland pleit bovendien al jaren voor een laag BTW-tarief (6 procent) op arbeidsintensieve diensten (zoals reparatie van schoenen kledingherstellers en fietsenmakers) omdat dit de werkgelegenheid kan bevorderen. Tot dusver wilde de Europese Unie daar niet aan, maar Vermeend vestigt zijn hoop ook wat dit betreft nu op Duitsland.