Titus is een slapjanus in halfslachtige voorstelling; Pierre Audi regisseert Racine's `Berenice'

Voorstelling: Berenice van Jean Racine door Zuidelijk Toneel. Regie: Pierre Audi.

Titus zegt: “Laat me niet meer dromen.' Sinds zijn vader dood is is Titus keizer van Rome en dat schept een nieuwe werkelijkheid. Zo is het beter dat zijn minnares Berenice vertrekt. Want de koningin van Palestina is niet geliefd bij de senaat en ook niet bij het volk. Berenice moet terug naar het land waar zij vandaan komt terwijl ze verwacht had keizerin te worden en de rest van haar leven onbekommerd gelukkig te zijn aan de zijde van Titus.

“Ik ben gebroken', kreunt ze wanneer het bericht van de scheiding haar bereikt, en bij Het Zuidelijk Toneel beukt Berenice op dat moment met haar hoofd tegen een dikke baal stof. Een keer, twee keer, drie keer totdat haar kapsel verward is en haar oogopslag wild. En Titus ziet haar wanhoop en schrikt: “Ongelukkige vorst! Waarom ben ik keizer? Waarom ben ik verliefd?'

Nu zou hij verscheurd moeten zijn tussen liefde en plicht, tussen liefde en eer, tussen liefde en de wetten van Rome. Jean Racine, de schrijver, zou het graag zo hebben gezien en ik eigenlijk ook. Maar de Titus van acteur Bart Slegers is zo'n slapjanus dat je geen ogenblik in zijn liefde gelooft. Zichzelf rechtvaardigen en beklagen: dat kan hij, deze patjepeeerige hoogwaardigheidsbekleder, en verder kan hij niets. Had regisseur Pierre Audi de nadruk gelegd op Titus' opportunisme dan hadden we de boodschap begrepen. Dan hadden we Audi's versie van het ruim driehonderd jaar oude treurspel Berenice zonder morren opgevat als een modern commentaar op het cynisme van de man.

Dat opportunisme komt echter evenmin uit de verf als de liefde: Audi heeft te veel sympathie voor Titus om hem aan te vallen en te weinig om hem te verdedigen. Dus blijft de voorstelling in halfslachtigheid hangen. Ondanks de nobelheid van Berenice (Chris Nietvelt) en haar onwrikbare trouw aan die nul van een keizer. Ondanks de felheid van Titus' vriend Antiochus (Steven van Watermeulen) die wel geloofwaardig verliefd is op Berenice.

Misschien heeft de halfzachtheid van het geheel ook te maken met het mooie maar niksige decor, bestaande uit een reeks katoenen panelen die meedeinen op het ritme van de beschaafd-verstilde muziek.

En misschien heeft die halfzachtheid nog meer te maken met de behandeling van de taal.

Het Vlaamse gezelschap De Tijd, dat eveneens met een Berenice door het land toert, koos voor de vertaling van Laurens Spoor: een tekst in radicale alexandrijnen, prachtig en indringend gezingzegd door het ensemble van regisseur Johan van Assche. Het Zuidelijk Toneel liet een nieuwe vertaling maken, door dramaturge Janine Brogt, en die vertaling is stukken gewoner. Hier geen klinkend eindrijm maar brokkelig, voortsuffend proza, dat aan het fijne gehoor van Audi artistiek directeur van De Nederlandse Opera, kennelijk is ontglipt. Grauw-in-grauw, dat is niet alleen de kleurstelling van decor en kleren maar ook van Titus en de taal in deze matte Berenice.