SCHRANZEN EN SLEMPEN ROND DE PISTE

De Zesdaagse is niet alleen een uitputtingsslag maar ook een volksfeest. De Nederlandse Zesdaagse is twaalf jaar geleden een zachte dood gestorven. In Duitsland is het elke winter carnaval. Afgelopen week waren er tachtigduizend bezoekers bij de Zesdaagse van Dortmund. “Het is hier meer vreterij en zuiperij dan fietserij.'

In de Westfalenhallen van Dortmund zijn drie grote zalen. In Halle 1 kijken enkele duizenden toeschouwers naar het ronddraaiende wielercircus. In Halle 2 drinken enkele duizenden feestgangers zich op vrolijke wijze een stuk in de kraag. In Halle 3 luisteren duizenden muziekliefhebbers naar een zingende travestiet. “Voor deze mensen is wielrennen de enige storende factor', zegt organisator Ernst Claussmeier met een vertwijfelde glimlach.

De koppelkoersen en de stayerwedstrijden gaan geheel voorbij aan de drinkende en swingende massa. De meeste bezoekers zouden kunnen figureren in een aflevering van Derrick: zwart leer, roze colberts, zwarte snorren en roze lipstick. Varkens aan het spit vinden gretig aftrek bij hoogblonde dames in rokken met tijgermotiefjes. Zouden ze ooit van demarreren of `telefoneren' hebben gehoord? Het wielerjargon lijkt hen niet vertrouwd. De dames vergapen zich aan gebraden kippenpoten, niet aan glimmende rennersbenen.

“Het is hier meer vreterij en zuiperij dan fietserij', schreeuwt gangmaker Joop Zijlaard met een zware Rotterdamse tongval. Terwijl de decibellen van de grote motoren voor een oorverdovend lawaai zorgen, spreekt hij in superlatieven. “Ik heb nog nooit zo veel vreten bij elkaar gezien. Nee laat dat maar aan die Duitsers over. Trouwens, in Bremen is het nog erger dan in Dortmund. Baas boven baas. Daar rijden ze de garnalen en de oesters met shovels naar binnen. Ongehoord!'

Duitsland heeft een rijke eetcultuur maar geen rijke wielertraditie. De successen in de Tour de France van de Duitse renners Didi Thurau (1977) en Jan Ullrich (1997) zorgden voor een tijdelijke opleving, maar de wegwedstrijden op de fiets blijven minder populair dan in Belgie, Frankrijk of Nederland.

De baansport daarentegen heeft zich altijd in een grote belangstelling mogen verheugen, vooral in de DDR. Duitsland telt zes Zesdaagsen: Bremen Munchen, Stuttgart, Berlijn, Leipzig en Dortmund. Deze week staat in de Westfalenhallen de 57ste editie op het programma. De organisatie heeft een gevarieerd programma samengesteld. Eerst Die Nacht der Revanche daarna Die Goldene Nacht, vervolgens Der Familien Sonntag en daarna Das Grosse Finale.

De Zesdaagse dateert van 1875, toen in Londen voor het eerst zes dagen en zes nachten op een piste werd gefietst. De renners mochten in de beginperiode slechts drie uur per etmaal slapen. In de vroege ochtenuren, rijdend voor lege tribunes, lazen ze al fietsend de krant. Ze sliepen niet in dure hotels, maar in kleine houten hokjes op het middenterrein. Dezelfde houten hokjes doen tegenwoordig dienst als verlengde massagetafels. Zalfjes en smeerolie liggen klaar voor gebruik. De soigneurs staan handenwrijvend in de aanslag.

In Dortmund laat een Australische deelnemer een kleine kier open, wanneer hij heimelijk de gordijntjes sluit. Hij neemt een slok uit een fles waarvan het etiket verborgen blijft. Is hier misschien doping in het spel? Waarom ook niet? Rond de eeuwwisseling was de Zesdaagse van New York het domein van slikkers en spuiters. Een normaal mens kon toch onmogelijk dag en nacht op de fiets te zitten, luidde de plausibele verklaring voor het gebruik van stimulantia.

Volgens de strenge regels van de internationale wielrenunie (UCI) worden in de Westfalenhallen dopingcontroles gehouden. Bordjes maken duidelijk waar de renners hun plasje moeten lozen, maar deze avond hebben we in Dortmund geen dopingcontoleurs waargenomen.

Misschien zaten ze wel in Halle 2 of Halle 3, waar de middelen even gedrogeerd maar minder verboden zijn.

Volgens ingewijden zal de Dortmunder Zesdaagse in de nabije toekomst volledig worden gedomineerd door zang, dans, eten en drinken. Volgens organisator Claussmeier zal het zo'n vaart niet lopen. “De UCI verplicht ons een minimaal aantal uren te fietsen. Bovendien zijn we sterk afhankelijk van de televisiegelden. Je kunt een begroting van 2,6 miljoen Mark niet rondkrijgen met het organiseren van een veredelde braderie. De renners blijven de grootste trekpleisters voor onze sponsors. Daarom is het jammer dat we Ullrich niet hebben kunnen strikken. Hij wilde liever op vakantie.'

Claussmeier erkent dat het publiek in Dortmund verschillende interesses heeft. “Zonder eten en drinken kunnen we geen Zesdaagse organiseren. Dat kan alleen nog maar in Belgie. Daar komen de mensen puur voor het fietsen. Toch blijft een spannend wedstrijdverloop ook voor ons het hoofddoel.' Preekt de organisator hier voor zijn eigen parochie en negeert hij de combines? “Nee, dit is pure topsport. Deze mannen rijden 53 kilometer per uur op een gevaarlijke piste. En de grote mannen als Aldag en Martinello hebben echt geen zin om hun naam te grabbel te gooien.'

Temidden van de buitenlandse pistiers vormen de Nederlanders Danny Stam en Robert Slippens een onervaren tandem. Ze rijden in Dortmund hun eerste Zesdaagse bij de profs. Ze krijgen de opdracht vooral niet in de weg te rijden, want het kwaliteitsverschil met de kampioenen is groot. Voor de 23-jarige Slippens is deelnemen belangrijker dan winnen. “Als jochie van tien ging ik met mijn ouders naar Ahoy'. Toen wist ik dat ik later ook Zesdaagsen wilde rijden.

Volgens mijn vader ben ik een mooi-weer-rijder, dus kon ik maar beter onder een dak fietsen. En dat publiek werkt alleen maar stimulerend.'

Slippens beschouwt de Zesdaagse van Dortmund als een ideale leerschool. Zoals het een wielrenner betaamt, leeft hij als een monnik voor zijn vak. “Die peepshows zijn niet aan mij besteed. We zijn vannacht om half twee klaar en dan is het afmarcheren en meteen naar het mandje. Iedereen denkt dat dit een lollig spelletje is, maar wij rijden toevallig wel een uur lang boven het omslagpunt. Wij gebruiken evenveel calorieen als een wegrenner in een zware klassieker.'

Stam en Slippens hebben het nadeel dat Nederland tegenwoordig nauwelijks fatsoenlijke wielerbanen kent. Sinds de Rotterdamse Zesdaagse in 1988 werd opgeheven, is de piste steeds minder populair geworden. Elk jaar verschijnen krantenberichten over de mogelijkheid van een nieuwe Zesdaagse, maar de Duitse wedstrijdleider Hans Ost heeft weinig vertrouwen in de Nederlandse bedoelingen. “Een goede wielerbaan is onontbeerlijk voor een goede Zesdaagse. Jullie hadden Ahoy' niet moeten verkwanselen aan een paar circusartiesten. Daar hadden jullie de ideale baan voor een Zesdaagse.'

Ost mijmert over de gloriejaren van Peter Post, bijgenaamd de Keizer van de Zesdaagse. De slagerszoon uit Amstelveen staat vierde op de ranglijst aller tijden, met 65 overwinningen. “Peter was een artiest, geen grijze muis', zegt Ost. “Hij had heel goede ogen, hij zag geen gevaar op de piste. Hij had een nadeel met zijn lengte, maar hij was een kunstenaar op de fiets. Hij kon het publiek begeisteren. Zulke mensen hebben wij nodig. De wielrenners moeten ook voor show zorgen. Dat had Post heel goed begrepen.'