Rudi Fuchs: `Kunst op straat mag minder vrij'

Een kunstenaar heeft op straat minder vrijheid dan in het museum. Dat zei Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum, zaterdag tijdens een symposium over kunst in de openbare ruimte in Utrecht.

Opdrachtgevers laten kunstenaars te vaak vrij. “Er staan in Nederland met alle respect voor de kunstenaar, dingen die er beter niet hadden kunnen staan', vindt Fuchs. Met zijn kritiek stelt hij zich op een lijn met de Raad voor Cultuur die onlangs pleitte voor een zelfstandige organisatie die het niveau van kunstopdrachten in de openbare ruimte moet bewaken.

Gemeentebesturen bestellen volgens Fuchs een object zonder rekening te houden met de omgeving. “Vanuit het idee dat die kunstenaar toch wat moet verdienen of vanuit een behoefte aan decoratie.'

In de twintigste eeuw is de autonomie van de kunstenaar tot grote hoogte opgevoerd. In de openbare ruimte heeft hij echter niet alleen met eigen publiek te maken. Er zijn ook betrokkenen die zich kunnen storen aan prive-uitingen.

Om openbare kunst beter bij het straatbeeld te laten passen, moet de opdrachtgever zijn opdracht volgens Fuchs duidelijker formuleren. Hij moet een uitgesproken voorstelling hebben van het werk dat hij verlangt, van de maat, de schaal en het materiaal. Fuchs pleit voor een vooropgezet programma van eisen. “Er bestaan historische typologieen die bepalen hoe hoog een object op een plein moet zijn. De moderne kunst heeft die typologieen aanvankelijk omzeild, maar er bestaat wel degelijk een logica.'

De Amsterdamse kunstenaar Hans van Houwelingen, die ook op het symposium aanwezig was, vond dat Fuchs de kunstenaar in zijn beweginsvrijheid beperkte. “Het lijkt wel of er eerst een soort lobotomie op een kunstenaar moet worden uitgevoerd, zodat alleen dat stukje vorm overblijft wat je wilt hebben.'

Fuchs zei geen slechte ervaring te hebben met het verstrekken van opdrachten. Zo vroeg hij onlangs aan beeldend kunstenaar Pistoletto of die op de plaats van de stadspoort van Turijn twee vooroverbuigende beelden wilde maken.

Op een van die beelden moest bovendien de stierenkop uit het stadswapen prijken. De kunstenaar stemde in met het verzoek. Fuchs: “Zover kun je gaan, bleek mij.'