Poezie en geloof na Auschwitz

Vooral in Europa en in Noord-Amerika is na de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging dikwijls de treurige veronderstelling geopperd dat van `geloven na Auschwitz' of van poezie nadien geen sprake meer zou kunnen zijn. Alle woorden, alle taal zou tekortschieten om het onnoemelijke te vatten en voor zover dat toch zou kunnen, zou het slechts om stotterende theologie of spraakgebrekkige dichtkunst kunnen gaan.

Dat het anders lag, dat ook het onzegbare hoe aarzelend ook wel te duiden en te verwoorden valt, heeft de Roemeense, Duitstalige joodse dichter Paul Celan bewezen. Hij heeft, zo heet het, aan de Duitse taal zijn bestaansrecht, zijn geloofwaardigheid en zijn groeikracht teruggegeven.

Aan deze Celan, pseudoniem van Paul Antschel (1920-1970), was vorige week in Groningen een symposium van twee dagen gewijd. Niet alleen germanisten, filosofen en wat verdwaalde predikanten kwamen er op af, maar ook een hele middelbareschoolklas. Vooral daarmee was dr. Paul Sars, oprichter en voorzitter van het Nederlandse Celan Genootschap, heel gelukkig. Omdat uit de komst van die scholieren blijkt “dat Celan met zijn zintuigelijke gedichten, hoe vreemd en abstract en absurd die ook zijn, weliswaar niet een groot publiek aanspreekt, maar er toch ook onder jongeren belangstelling voor hem bestaat'.

Hoewel hij in het Duits schreef, heeft Celan nieuwe impulsen aan de taal gegeven zegt Sars, germanist en filosoof aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Zowel voor de wijsbegeerte als voor de theologie is dat van groot belang geweest. Sars: “Hij voelde zich een thuisloze zwerver die zich na de holocaust aan niets meer kon orienteren. Die alles kwijt was, behalve de taal. Na Auschwitz leverde die hem ten minste nog enkele herkenningspunten op. Met de taal probeerde hij het domein van het gegevene en het mogelijke nog uit te meten.'

Paul Antschel werd in 1920 geboren in Czernowitz, dat toen de hoofdstad van de Roemeense Boekovina was en tegenwoordig bij de Oekraine behoort. Zijn geboortestreek was een verzamelplaats van Tsjechen, Polen, Russen, Roemenen, joden en zigeuners, zodat hij zich niet alleen Roemeens en Russisch, maar ook Frans en Jiddisch en Hebreeuws had eigen gemaakt.

En omdat zijn ouders Duitssprekende joden waren die hun kinderen naar Duits-christelijke scholen stuurden, werd er thuis Duits gesproken. Antschels jeugd werd getekend door antisemitisme. Van het Duitstalige gymnasium waar hij leerling was, werd hij verwijderd nadat Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen. Toch bleven de Duitse taal en de Duitse literatuur zijn voorliefde hebben. Totdat hij in 1938 zijn land verliet, in Frankrijk wilde gaan studeren maar toch weer terugkeerde naar Czernowitz. De Duitse bezetter vermoordde meer dan drieduizend vooraanstaande joden uit de streek, 45.000 mensen werden gedwongen in een getto te leven. In 1942 werden de ouders Antschel naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Zelf wist Paul Antschel aanvankelijk onder te duiken, maar vanaf juli 1942 was ook hij dwangarbeider in een werkkamp.

In Auschwitz of een van de grote vernietigingskampen is hij nooit geweest, maar toch heeft Auschwitz zijn leven en zijn werk bepaald. Na de oorlog kwam Antschel via Boedapest en Wenen in Parijs terecht waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. In 1947, na de publicatie van zijn later beroemd geworden gedicht `Todesfuge' (Der Tod ist ein Meister aus Deutschland, sein Auge ist blau/ er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau), nam hij de dichtersnaam Paul Celan aan. Er volgde een bijzonder productieve periode van ruim twintig jaar. Maar pas na zijn zelfgekozen dood in 1970 werd Celan bij een groter publiek bekend. Zijn werk vertoont duidelijk religieuze trekken, bijvoorbeeld in het gedicht `Psalm' waarin hij een weerwoord levert op de bijbelse voorstelling van de almachtige, reddende God.

Tijdgenoten als Buber, Heidegger, Levinas en Picasso, met wie hij contacten had, waren in zijn werk geinteresseerd.

Niet alleen omdat er bij Celan sprake was van een confrontatie van het eigentijdse denken met de culturele en religieuze tradities, maar vooral ook omdat Celan geen zwartkijker wilde zijn. Zijn werk wordt weliswaar bijzonder moeilijk toegankelijk gevonden, maar het geeft, aldus Sars, tegelijkertijd ook blijk van een geheel nieuwe manier van spreken. Juist zijn heel doordachte, vreemde manier van dichten doet een onmiddellijk beroep op de lezer.