Overheid moet toponderzoek koesteren

Het fundamentele onderzoek in Nederland staat onder druk nu overheid en bedrijfsleven de voorkeur verlenen aan maatschappelijk relevant onderzoek. Dirk van Delft meent dat het roer drastisch om moet.

Vorige week donderdag kende NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, voor de vierde keer zijn jaarlijkse Spinoza-premies toe, de hoogste individuele wetenschappelijke prijs die in academisch Nederland valt te behalen. Drie toponderzoekers, te weten de geneticus Hoeijmakers, de wiskundige Lenstra en de taalkundige Muysken krijgen vanwege hun excellente prestaties ieder drie miljoen gulden toegestopt, naar eigen inzicht te besteden aan nieuwe, uitdagende projecten.

Met de Spinoza-premies hoopt NWO het fundamentele toponderzoek in Nederland een opkikker te geven. Dat kan geen kwaad. Het fundamentele onderzoek in Nederland staat onder druk. Wetenschappers die ongebaande paden willen inslaan zien hun mogelijkheden beknot. Beleidsmakers houden niet van het ongewisse, zij willen afbakenen en sturen. Hun voorkeur gaat uit naar `maatschappelijk relevant' onderzoek dat zich op de korte termijn bewijst en economisch nut afwerpt. Een kortzichtige visie. Niet alleen gaat ze voorbij aan het feit dat moderne technologische verworvenheden hun wortels hebben in fundamenteel onderzoek dat in het (verre) verleden is verricht, ook veronachtzaamt ze de culturele waarde van het ontsluiten van het onbekende. Wie begrippen als `risicovol', `hooggegrepen' of `dwars' negatief beoordeelt, moet niet raar opkijken als hij briljante onderzoeksgeesten van zich vervreemdt.

De inperking van het fundamentele onderzoek vindt plaats aan de universiteiten, maar sterker nog in het bedrijfsleven. Industriele laboratoria hebben de academisch ingestelde onderzoeker steeds minder te bieden. Langetermijnonderzoek, met als rechtvaardiging de hoop dat het ooit nog eens een lucratieve doorbraak oplevert, heeft de afgelopen jaren in toenemende mate het veld moeten ruimen voor concrete toepassingsgerichte vragen vanuit productdivisies.

Die zitten niet te wachten op avontuur aan het front van de wetenschap. Zij opereren in een `vijandige markt', moeten aandeelhouders en financiers tevredenstellen en eisen snelle pay off.

Een illustratie van deze ontwikkeling vormt de aankondiging door de raad van bestuur van Akzo Nobel om met ingang van 1 januari 1999 de corporate research er aan te geven. Vijfentwintig projecten die totnutoe centraal werden gefinancierd moeten alsnog op zoek naar een willige business unit. Dat veel van de bestaande activiteiten bij Akzo Nobel juist te danken zijn aan langetermijnonderzoek uit het verleden, lijkt geen rol te spelen. Wrang is dat C. van Lede voorzitter van de raad van bestuur, afgelopen voorjaar in een toespraak voor topmensen uit meer dan honderd technisch-georienteerde bedrijven nog beweerde dat R&D (research and development) een `kwantumsprong' in het verschiet had liggen. Inmiddels heeft J. Sistermans, bij Akzo Nobel verantwoordelijk voor technologie en strategie, zijn conclusies getrokken: per 1 januari 1999 stapt hij op.

Nu is het zo dat het beknotten van fundamenteel onderzoek in industriele laboratoria geen exclusief Nederlandse zuinigheid is, maar een internationale trend. Als de ene multinationale oliemaatschappij besluit zijn R&D aan banden te leggen volgen de anderen op de voet.

Intussen rijst de vraag hoe technologische vooruitgang kan voortduren als hij niet langer gevoed wordt door wezenlijke doorbraken vanuit fundamenteel onderzoek. R&D loont altijd, mits het de tijd krijgt. De Britse wiskundige G.H. Hardy was er in de jaren dertig trots op dat zijn getaltheorie nooit toepassingen zou kennen. Ruim een halve eeuw later vormt zij de basis van de cryptografie die banken hanteren om hun boodschappen veilig te versturen.

Nutteloos onderzoek bestaat niet, er bestaan alleen ongedurige aandeelhouders. En dus ligt er een taak voor de overheid.

Aan mooie woorden heeft de overheid geen gebrek. Volgens het Wetenschapsbudget 1997 kan een kennissamenleving als de Nederlandse niet buiten fundamenteel onderzoek. “Het nastreven van een hoog internationaal profiel', aldus de nota, “impliceert ook het bevorderen van de kwaliteit van puur fundamenteel onderzoek, waar de directe verbinding met de ontwikkeling van de samenleving niet altijd is aan te geven.'

Inmiddels is Paars II aangetreden en ligt er een regeerakkoord waarin het woord `wetenschap' eenvoudig ontbreekt. In plaats van de universiteiten als vrijplaats voor broodnodig fundamenteel onderzoek te hulp te schieten, zijn diezelfde universiteiten met 300 miljoen extra gekort. Tegelijkertijd steekt de overheid dik geld in technologische topinstituten - toch eerder plaatsen waar toepassingsgericht contractonderzoek zal gedijen dan ongebonden fundamenteel onderzoek - en is er meer fiscale stimulering van privaat uitgevoerde R&D. Nog altijd slaat Nederland internationaal geen slecht figuur, maar het percentage van het bruto binnenlands product (BBP) dat de overheid in R&D steekt is van 1987 tot 1997 wel gedaald van 1,11 procent naar 0,77 procent.

De Britten laten zien dat het ook anders kan. Daar roepen de overheid en de Wellcome Trust, ter doorbreking van een gegroeide cultuur van tekorten en onderfinanciering, een fonds van 600 miljoen pond in het leven waaruit nieuwe onderzoeksinfrastructuur zal worden bekostigd. Opmerkelijk: het is uitdrukkelijk de bedoeling dat ook `wilde wetenschap' een kans krijgt, dat een deel van het geld naar ambitieuze plannen gaat waarvan niet kan worden verlangd dat ze snel publicaties opleveren, laat staan geld.

Nederland neemt twee procent van de wereldproductie aan hoogwaardige beta-publicaties voor zijn rekening, de Verenigde Staten ongeveer 40 procent. Toch gingen van de 74 Nobelprijzen die in de jaren negentig voor de natuurkunde, scheikunde geneeskunde en economie zijn toegekend er 54 naar onderzoekers verbonden aan Amerikaanse instituten. Voor de goede orde: Paul Crutzen (Nobelprijs chemie 1995) verrichtte zijn baanbrekende onderzoek aan een Duits Max Planck-instituut. Terwijl het Philips Researchlaboratorium in Eindhoven (het vroegere NatLab) zijn eerste Nobelprijs nog in de wacht moet slepen, bracht Bell Labs van Lucent (het bedrijf waarmee Philips onlangs een samenwerkingsverband afbrak) dit jaar zijn totaal op 11.

Toch doen we het niet slecht. Op de wereldranglijst van wetenschappelijke productiviteit, gemeten in absolute aantallen publicaties, staat Nederland tiende. Gelet op invloed, uitgedrukt in aantallen citaties, staan we zelfs op de achtste plaats. Ons onderzoekslandschap is een hoogvlakte om trots op te zijn. Alleen schort het in dat landschap aan pieken.

In Nederland bestaat geen cultuur waarin toponderzoekers iets extra's wordt gegund. Het Wetenschapsbudget 1997 spreekt in dit verband van een teveel aan `verdelende rechtvaardigheid'. Deze wekt volgens de OC&W-nota verstarring in de hand, bevoordeelt de middelmaat en leidt ertoe dat echt toptalent niet de ruimte krijgt die het verdient. “Het wegtrekken van een aantal toonaangevende onderzoekers naar buitenlandse universiteiten waar zij meer armslag konden verkrijgen, behoort ons te verontrusten.'

Het is een feit dat Nederland zijn toponderzoekers te weinig koestert. Het zou een stap in de goede richting zijn om NWO, als beheerder van de `tweede geldstroom' belast met de taak de kwaliteit van het onderzoek te vergroten, meer financiele armslag te geven.

Niet om een eredivisie aan toponderzoekscholen in het leven te roepen en van vele miljoenen te voorzien; dat zijn bureaucratische molochs die soms over half academisch Nederland zijn verspreid. Beter is het als kleine onderzoeksgroepen van hoge kwaliteit, waarvan iedereen weet waar ze zitten, a la de Spinoza-premies extra geld krijgen toegestopt. Alleen dan creeer je alsnog wetenschappelijk relief.

In plaats daarvan is de overheveling van 500 miljoen gulden van de (door de universiteiten beheerde) eerste naar de tweede geldstroom door de nieuwe minister van OC&W op de lange baan geschoven. Dit is niet onbegrijpelijk, gezien de bezuinigingen die de universiteiten toch al moeten doorvoeren, maar de kwaliteit van het fundamentele onderzoek is er niet mee gebaat.

Om aan alternatieve middelen te komen, en zo minder afhankelijk te zijn van de terugtredende overheid, zoeken universiteiten contact met de `markt': de derde geldstroom. Hoe die markt de grenzen van ons kennen moet verleggen, zeggen ze er niet bij.

In zijn pleidooi voor een `marktgerichte koers' lijkt de Leidse collegevoorzitter Vredevoogd te vergeten dat uit hapklare haalbaarheidsstudies geen fundamentele ontdekkingen zullen voortvloeien. Voor doorbraken zijn passie verbeeldingskracht en het brutale lef van het individuele talent onontbeerlijk. Wie dat miskent bewijst de maatschappij een slechte dienst.