`Na de ramp begint de ellende pas goed'

Boeren met een geruineerde oogst krijgen een schadevergoeding, beloofde het kabinet vrijdag. In 1993 en 1994 regende het ook hard, en toen werd ook geld toegezegd. Kregen de boeren dat?

Piet Pater, teler van vollegrondsgroente in Waarland, kreeg niets. De harde regen in september 1994 verwoestte zijn ijsbergsla, zijn spitskool en de chinese kool. Schade: 250.000 gulden. Aardappelteler Peter van Breugel uit Heerhugowaard had door diezelfde regen 600.000 gulden schade. Hij kreeg bijna de helft van dat bedrag vergoed. Maar daar moest hij wel tweeenhalf jaar op wachten.

Samen zitten ze op zondagmiddag aan de keukentafel in Heerhugowaard. Pater in colbert en stropdas met groentenmotief, Van Breugel in werktenue. Pater is kalm, Van Breugel woedend. In 1993, zegt Van Breugel, had hij ook al een strop. De chipsfabriek keurde zijn aardappels af. Hij had een half miljoen schade. Dat verlies zou hij het jaar daarop, in 1994, wel goedmaken. “De piepers stonden er schandalig best bij, je kon er een waterpas overheen halen.' Maar toen begon het te regenen. Het duurde niet lang, hooguit een week, maar het was fataal. Ook Paters oogst ging verloren. “De planten stonden onder water. Eerst zie je de wortels stikken, het blad valt eraf. Zo'n plant staat een paar dagen te stressen. En sterft.' Van Breugel maakt een snijdende beweging langs zijn hals. “Zoiets overleef je als ondernemer niet.'

Evert Lassche, regiosecretaris van de Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (WLTO) probeerde voor de Noord-Hollandse boeren een schadevergoeding te regelen. Liefst net zo'n oogstschaderegeling als de boeren uit het noorden en oosten in 1993 hadden gekregen. Toen was er ook veel gewasschade door regen, en kregen de boeren zeventig procent vergoeding voor hun nog niet geoogste gewassen. De gedupeerde boeren uit 1994 hadden geen recht op zo'n vergoeding, vond toenmalig minister van Landbouw Van Aartsen.

De wateroverlast in 1993 was een ramp, de regen uit 1994 niet. Er kwam vijf miljoen gulden te verdelen over alle boeren met schade uit Noord-Holland. De verdeling ging zo: Een teler moest ten minste dertig procent schade hebben om in aanmerking te komen voor vergoeding. Piet Pater had `maar' 25 procent schade, dus hij kreeg niets. Wie wel voldoende schade had, kreeg zeventig procent vergoeding. Maar met het eigen risico was iets aan de hand. Een boer moest niet dertig procent van de schade zelf betalen, maar dertig procent van zijn totale bedrijfsomvang. Reken even mee: Je hebt een bedrijfsomzet van 1,8 miljoen. Dertig procent daarvan is 600.000 gulden. Stel je hebt 600.000 gulden schade. Dan krijg niet zeventig procent van die schade terug, dan krijg je niets.

“Na de ramp, en na de vaststelling van de vergoeding begint de ellende pas,' zegt Lassche van de WLTO. “Dan komen de verfijningen, de criteria waar je aan moet voldoen, de taxaties en de schattingen. Duizenden ondernemers vallen alsnog buiten de boot.' Van Breugel kreeg wel geld, zo'n 285.000 gulden maar moest er tweeenhalf jaar op wachten. “Ik ben bijna koppie onder gegaan, stond donkerrood bij de bank. Toen het geld kwam viel het in een hele diepe put.'

Rond kerst 1994 was er weer een waterramp, nu in het zuiden. De Limburgers kregen een riante regeling, vindt Van Breugel. Alle evacuatiekosten werden vergoed, en ook nog eens een deel van de vervolgschade. Van Breugel, berustend: “In het zuiden schreeuwen ze blijkbaar harder.'

Na al die rampen was het kabinet al die regelingen ook zat, zegt Lassche. Er kwam een nieuwe wet, de Wet Toegemoetkoming Schade bij rampen en zware ongevallen (WTS). Dit jaar ging de wet in werking, en moest meteen worden toegepast.

Zes weken geleden stroomden de kassen en de landbouwgronden in het Westland vol. Zij zullen 65 procent van de schade terugkrijgen. Ze hebben wel een eigen risico, maar dat is hooguit tienduizend gulden.

Niet bekend

Van Breugel zucht. “Misschien vang ik helemaal niets.' Hij heeft al vijftig hectare aardappels gerooid nog twintig hectare zit in de grond. “Misschien had ik de aardappels beter kunnen laten rotten. Dan had ik al die onkosten niet gehad.' Hij heeft geen recht op geld, vindt hij. “We moeten dankbaar wezen als we wat krijgen.' Maar, vindt hij ook, de maatschappij heeft een morele verplichting om te helpen.

Pater nuanceert. “Wat je binnen hebt wordt meer waard.' Als er minder aardappels, penen en ijsbergsla worden gerooid, wordt de prijs vanzelf hoger. Pater vindt dat hij zijn schade zelf moet dragen. “Natuurlijk zou ik ook graag wat vangen. Maar iedereen een schadevergoeding geven, kost zo veel geld. Er zijn altijd lachende en huilende boeren. Sommigen krijgen niets en gaan bijna failliet, anderen worden beter van waterschade. Dat kun je niet maken met gemeenschapsgeld.'