Kwaliteit theologie is gelijk

Het leven van een decaan van een theologische faculteit is dezer dagen niet erg vrolijk. Zijn lot hangt af van de spoedig te verwachten gezamenlijke synode van de drie Samen-op-Weg kerken. De uitkomst van dat beraad is niet te voorspellen. Toch is er ook in de donkerste tijden altijd ruimte voor een moment van humor. Voor mij was dat 24 oktober, toen ik in deze krant een pleidooi voor het behoud van de Leidse theologische faculteit aantrof door Nederlands meest gedreven atheist, de Leidse filosoof Herman Philipse.

Mijn geamuseerdheid sloeg al snel om in ergernis. Zijn pleidooi is ondermaats want het stelt de kerken in een kwaad daglicht, het is inconsistent en het verschaft desinformatie over de werkelijke kwaliteitsverhoudingen in theologisch Nederland.

Laat mij beginnen met het eerste punt. De besturen van de drie kerken hebben inderdaad een aanbeveling van een eerdere commissie afgewezen, maar de gang van zaken was geheel anders dan Philipse voorstelt. De commissie presenteerde twee opties voor de vestigingsplaats van theologische faculteiten: Leiden/ Utrecht/ Kampen of Amsterdam/ Utrecht/ Groningen en koos met drie tegen twee stemmen voor de eerste optie, terwijl de kerkelijke besturen unaniem de tweede kozen. Daarnaast hebben de kerken al in juni hun keuze voorgelegd aan het ministerie van Onderwijs, dat geen kritiek had en hebben zij afgelopen week een verslag van alle rapporten en correspondentie aan de synodeleden toegestuurd. Op de gezamenlijke synode zullen zo'n driehonderd leden over het voorstel kunnen debatteren. Het is absolute onzin om zo'n procedure `sektarische achterkamertjespolitiek' te noemen.

Het betoog van Philipse is ook intellectueel inconsistent. Volgens hem zou het kabinet een beleid moeten inzetten `dat gericht is op een sterkere scheiding van kerk en staat'. Blijken de kerken echter met een voorstel te komen dat Philipse niet aanstaat, zoals een mogelijke terugtrekking van hun hoogleraren van de Leidse theologische faculteit, dan verdwijnt die scheiding en moet van hem minister Hermans onmiddellijk ingrijpen.

Philipse is ten slotte nogal zuinig met de waarheid. Als een Nijmeegs instituut een ranking van onderwijsbeoordelingen over de jaren 1994-1997 uitbrengt, is dat iets geheel anders dan het vaststellen van de beste theologische faculteit zoals Philipse drommels goed weet.

Bovendien, hoe moeten wij zo'n ranking lezen? Het gaat daarbij natuurlijk om de bandbreedte van de verschillen tussen de diverse faculteiten. Zijn die groot of hebben we het, bij wijze van spreken, over verschillen achter de komma? Dat laatste is het geval. De vice-voorzitter van de jongste theologische Onderwijsvisitatiecommissie, wier oordeel de basis voor de Nijmeegse ranking vormt, de Kamper hoogleraar Manenschijn, heeft namelijk zelf in Trouw (24 oktober) opgemerkt: “Geen van alle (theologische opleidingen) is beneden de maat, geen van alle excellent'. Het onderwijs kan dus moeilijk het criterium bij uitstek zijn op grond waarvan de kerken moeten kiezen. Dat zou ook niet stroken met de praktijk, want eenmaal afgestudeerd zijn er geen evidente kwaliteitsverschillen tussen dominees van, bijvoorbeeld, Leiden, de VU of Groningen.