Het toverwoord asiel

Asiel. Het woord lijkt toverkracht te hebben. Het laat dingen gebeuren. Voor de een is het de belofte van een paradijs, met groene weiden en schaapjes en nooit meer oorlog. Geen schoten in de nacht. Deuren die worden ingetrapt door soldatenschoenen, gegil en gezucht van vleselijk genot. Geen branden bij de buren, geen getreiter op straat.

Het paradijs bestaat, je kunt het zien liggen, zo uit het raam van de kamer (of de spleet in de tent, het komt voor), maar je moet nog wachten, wachten, jaren wachten nadat je de toverspreuk hebt gebruikt.

Niet iedereen ziet dezelfde belofte voor zich. Bij sommigen roept het woord `asiel' een beeld op van volle steden met erg veel kleurlingen. Vreemdelingen in het dorp die niet zijn te verstaan. Buitenlanders die voortuinen verwaarlozen, rare goden aanbidden en etensluchtjes veroorzaken die niet zijn thuis te brengen. Verstoorde rust.

Weer anderen zien bij het woord `asiel' een uiting van opofferingsgezindheid. Menselijkheid deugd, onzelfzuchtigheid. Het opkomen voor weerlozen, het beschermen van vervolgden, het redden van onschuldigen die door een ellendig lot zijn getroffen. Asiel roept de mogelijkheid op tot naastenliefde. Het is de belofte van goedheid.

Ik vind het vreselijk om het te moeten verklappen, beste mensen, maar toverwoorden bestaan niet. Geen van de beloften (of spookbeelden) wordt ooit waar. Het woord `asiel' bezit geen enkele toverkracht, integendeel: het is juist de meest gemaltraiteerde term van onze tijd. Ooit werd het woord gebruikt om individuen te beschermen tegen tirannieke autoriteiten. Je hoefde maar een kerk in te vluchten en `asiel' te roepen en je was veilig voor de toorn van lokale hertog of baron.

Na de Tweede Wereldoorlog heerste het schuldgevoel dat geen land in Europa iets had gedaan voor de joden, waarop de betekenis van asiel werd uitgebreid: ook hele groepen mensen moesten aanspraak kunnen maken op bescherming als ze op grond van hun ras of godsdienst werden vervolgd. En omdat de Koude Oorlog intussen was uitgebroken werd aan ras en godsdienst ook `politieke overtuiging' toegevoegd.

Het werkte wonderwel, zolang jaarlijks vijf Russen en drie Chilenen aan de grens kwamen met het verzoek om asiel. Onrustig werd men pas toen de toenmalige DDR, uit de meest sardonische overwegingen, Tamils uit Sri-Lanka naar West-Europa begon te smokkelen. In het midden van de jaren tachtig brak paniek los in Nederland toen we de beelden op televisie zagen van lachende zwarte mannetjes die in groepjes van vier, vijf luidkeels op Schiphol of Oldenzaal riepen: `asiel!'

Het is nooit meer goed gekomen. Driftig begon men te sleutelen aan de vluchtelingendefinitie. De groepsvervolging werd afgeschaft, de persoonsgerichte vervolging moest worden hard gemaakt, er mocht geen plek in het land zijn waar men kon onderduiken (het `binnenlandse vluchtalternatief'), er moest opvang komen in de eigen regio (zwarten bij zwarten en bruinen bij bruinen) en intussen bleven maar etnische oorlogen uitbreken.

Om een lang verhaal kort te maken: in Nederland hebben we de Vluchtelingenwet zodanig gemutileerd dat eigenlijk niemand meer erin past. Een vluchteling is iemand die in opstand is gekomen tegen een autoritair regime. Hij heeft iets heldhaftigs gedaan en het regime is daar zo boos om geworden dat het hem heeft vervolgd. Beide dingen moeten worden bewezen: dat de vluchteling een daad heeft gesteld (pamfletten uitdelen is niet voldoende) en dat het regime tot vervolging is overgegaan (toon het arrestatiebevel!). Het internationale vluchtelingenverdrag uit 1952 is dus in feite allang opgezegd, omdat de klassieke vluchteling zoiets is geworden als een gorilla in Alaska.

Maar wie zijn dan al die duizenden mensen die hier om asiel vragen en die we niet direct eruit kunnen gooien? Het zijn geen klassieke, maar moderne, misschien wel postmoderne vluchtelingen; het zijn `asielzoekers' die uit gebieden komen waar het niet prettig toeven is.

Deze mensen hebben niets wezenlijks gedaan. Ze hebben niets ondernomen. Ze hebben geen roman geschreven, geen lied gezongen geen rede gehouden tegen het regime. Hen is alleen maar iets overkomen. Plotseling was daar de terreur, de trap op de voordeur, terwijl ze zich juist nergens mee wilden bemoeien.

Voor deze asielzoekers is op dit moment in Nederland geen regel en geen wet. We weten ons geen raad met ze. Terugsturen is barbaars, maar hier houden is onmogelijk, want in principe tegen de (door ons geheel uitgeklede) wet. Moeten er nieuwe wetten komen? Of zullen we blijven aanmodderen zoals we nu al doen?

Laten we eerst erkennen dat de klassieke vluchteling niet bestaat. Die tien of twintig helden die de regimes hebben getart kunnen we wel onderbrengen. En laten we vervolgens erkennen dat er landen zijn waar je mensen niet naar terug kunt sturen, omdat ze daar aan het moorden en branden zijn.

Maar als het om die mensen gaat, en dat is nu het geval, moeten we niet hen beoordelen, maar de landen waar ze vandaan komen. Iemand die uit Zweden of Japan komt kunnen we gevoeglijk terugsturen, dat zijn veilige landen. Maar wat zijn onveilige landen? Op dit moment hebben we geen enkele methode om dat vast te stellen. Onze consul in Irak schrijft eens een briefje en dat heet dan een ambtsbericht waarop we hier Irakezen op vliegtuigen beginnen te zetten.

Van deze middeleeuwse praktijk moeten we af. En omdat de minister-president naar aanleiding van het asiel-debat zelf riep dat degene die het wist het moest zeggen is hier mijn voorstel: stel een landentribunaal in, waarin een college van eerbiedwaardige burgers de verhalen aanhoort van iedereen die informatie heeft over de desbetreffende landen.

Consuls ontwikkelingswerkers, zakenlui, journalisten, reizigers, wetenschappers alsook leden van Artsen Zonder Grenzen en Amnesty International. Een jaarlijks te houden open en democratisch debat over elk probleemland. Als het land onveilig wordt verklaard, worden de mensen hier, of elders ondergebracht. Als het land weer veilig is (zie hoe het gaat met Nigeria) worden ze teruggestuurd. Die afspraak maken we aan de grens met de betrokkenen, waardoor we ons niet schijnheilig gedragen en geen last hoeven te hebben van schuldgevoel.

Het probleem met dit voorstel is de `aanzuigende werking': als we Kongo onveilig verklaren kunnen we alle gelukzoekers uit dat land aan de deur verwachten. Dat risico moeten we helaas nemen, waarmee niet is gezegd dat we iedereen lukraak bescherming moeten bieden. Als we niet de asielzoekers, maar de landen waar ze vandaan komen beoordelen, willen we toch nog wel iets van ze weten.

Op dit moment vragen we aan asielzoekers wat voor heldhaftigs ze hebben gedaan, om ze enigszins in het beeld van de klassieke vluchteling te kunnen wurmen. Ik stel voor dat ze juist moeten bewijzen dat ze niets hebben gedaan. Ze moeten schuldeloos verstrikt zijn geraakt in onvoorziene omstandigheden. Ze mogen dus vooral niet een tijdje hebben meegeplunderd of meegemoord met een of andere gewelddadige bende. De term asiel moet worden verschoond - mensen met wat voor kwaad dan ook op hun geweten moeten ervan zijn uitgesloten. Zo krijgt het woord weer iets van zijn toverkracht terug.