Galajapon

Het was koningin Wilhelmina vreemd te moede op 25 februari 1956, zo vertrouwde zij haar secretaris toe. Trix werd achttien en zijzelf zou voor het eerst sinds haar abdicatie — en vermoedelijk voor het laatst in haar leven — weer aan een diner met de regering aanzitten. Voor het laatst in galajapon, voor het laatst een diadeem op. Dat ontroerde haar sterk, al zou niemand iets aan haar merken: ,,Ik heb geleerd me te beheersen en ik heb een hekel aan mensen die zich laten gaan.'

Wonderlijk, dat de koningin zich druk maakte over zoiets banaals als een jurk, een diadeem. En dan zou zij die dag nog een oudje dragen. Een satijnen jurk, compleet met voile en rijk geborduurd met kraaltjes, alles in stemmig mauve. Hij dateerde van haar abdicatie in 1948 en was sindsdien vermaakt: de vorstin was zuinig op haar garderobe.

Wat aan die galajapon (die op het ogenblik op een expositie op het Loo is te zien) vooral in het oog springt, zijn zijn imposante afmetingen. Wilhelmina was een vrouw die, getuige ieder die haar heeft ontmoet, koninklijk gezag uitstraalde. Maar gracieus kon haar gestalte niet genoemd worden.

De koningin had geleerd zich te beheersen; haar eigen lichaam viel kennelijk niet onder die beheersing. Het was kort, en vanaf haar meisjesjaren al stevig. In de loop van haar leven dijde het steeds verder uit. De jurken en mantelpakken uit haar laatste levensjaren lijken bestemd voor een baby-olifant, aandoenlijk in hun vormeloosheid. In die kledingstukken zijn kostbare stoffen en gecompliceerde patronen gebruikt, niet met het banale (en hopeloze) oogmerk de draagster `voordelig te doen uitkomen`, maar met het oog op status en waardigheid.

Die combinatie van totale onverschilligheid over de eigen lichaamsvormen met grote zorg voor de kleding is bijzonder. Misschien is zij in die vorm wel voorbehouden aan personen van koninklijken bloede. In Engeland is aangetoond dat zelfs aangetrouwde leden van het vorstenhuis, zoals wijlen de hertogin van Windsor en lady Diana er niet toe in staat waren. Zij leefden zich uit in hun garderobes, maar hongerden zich bovendien op meelijwekkende wijze mager om aan het gangbare schoonheidsideaal te voldoen.

Bij de kleding van de meeste Nederlandse vrouwen, in het echt zowel als in de etalages en modebladen, is er de laatste jaren ook duidelijk één trend. De presentatie van het lichaam is steeds meer het doel van modieuze kleding geworden, ten koste van ouderwetse doelstellingen als gepastheid — of gewoon, mooi gekleed te zijn.

Nooit hebben meer vrouwen meer uitdagend nauwsluitende kleren gedragen dan nu. Blader de Wehkampcatalogus door en je ziet dat dun en sexy het overheersende ideaal is — tot je bij de grote maten bent, waar nog een paar normale ontwerpen staan. In warenhuizen is het mij meer dan eens overkomen dat ik zwervend tussen de rekken eindelijk iets vond dat mij wel aansprak, om daarna te ontdekken dat boven mijn hoofd een bord `big & beautiful' hing.

De omslag moet zijn begonnen met het uitsterven van klederdrachten. Klederdrachten waren uniformen, gelijk voor iedereen (althans, iedereen binnen een gegeven groep). Gepastheid was het streven, erotiek was in principe taboe, maar status mocht openlijk tentoon worden gespreid, met zware bloedkoralen, mooie stof of gouden gespen.

Het moderne idee dat het beter is als kleren een individuele persoonlijkheid weerspiegelen dan iemands maatschappelijke positie, deed klederdrachten de das om. Toen bleek dat lang niet iedereen over zo'n individuele persoonlijkheid beschikt, bood het feit uitkomst dat iedereen wel een eigen lijf heeft, waarvan de vorm tot op zekere hoogte kan worden beïnvloed.

Koningin Wilhelmina had dat niet nodig: die droeg gewoon haar eigen klederdracht. Dat zij geleidelijk het figuur kreeg van een olifant deed niet terzake. Zij hoefde voor niemand aantrekkelijk te zijn, maar als vorstin moest zij er wel vorstelijk uitzien. Daarom waren diadeem en galajapon voor haar geen banaliteiten, maar iets wezenlijks, waarvan het verlies haar ontroerde.