Festival van Contrasten: De toonkunst kijkt heel vaak achterom

Concert: Houdt de dief.

Er is geen kunstvorm waarin zo sterk achterom wordt gekeken als in de `scheppende' toonkunst. Het creatief recyclen door middel van citeren orkestreren of varieren van melodieen en hele composities vormt een wezenstrek van de westerse muziekgeschiedenis.

Renaissance-componisten gebruikten voor hun meerstemmige koorwerken veelvuldig bestaande gregoriaanse melodielijnen. In de barok werkte Bach zowel andermans melodieen als partituren van zijn eigen hand om tot nieuwe stukken. Op hun beurt vormen de contrapuntische vlechtwerken van Bach tot in onze eeuw een geliefde inspiratiebron. Toch leidt dit aan de haal gaan met andermans vindingen in de muziek maar zelden tot beschuldigingen van plagiaat.

Houdt de dief!, de eerste van vier manifestaties in het Festival van Contrasten van de 40-jarige Stichting Premium Erasmianum ging over de dunne scheidswand tussen citeren en plagieren.

In een ruim acht uur durende marathon met concerten en lezingen in het Amsterdamse Concertgebouw werd echter geen notendief staande gehouden. Wel droegen de auteursrecht-specialisten Jan Kabel en Rob du Bois voorbeelden aan waarin het tot een veroordeling is gekomen, maar zij onderstreepten vooral het ongrijpbare en het weinig statische karakter van het geestelijk eigendom. Psycholoog Willem Wagenaar suggereerde zelfs de notendief maar in ere te houden, want een goede componist zoekt aansluiting bij de selectieve herinnering van de luisteraar, en als hij zich daarbij bedient van bestaand materiaal: soit.

Tot een problematisering van het thema `Citaat of plagiaat?' kwam het niet. De programmasamenstellers - Leo Samama, Jos Leussink en Frits de Haen - opteerden duidelijk niet voor een polemische benadering van het onderwerp. Christopher Yavelow demonstreerde hoe computerprogramma's in een mum van tijd muzikale look-alikes produceren; andere sprekers verhaalden van hun ervaringen met precaire plagiaatkwesties. Presentator Ad 's-Gravesande had vanwege een te krap tijdschema en gebrek aan zaalrespons amper een discussie te leiden.

Adriaan van Dis of Rene Diekstra waren hier wellicht boeiender gespreksleiders geweest.

Met de muzikale programmering werd evenmin antwoord gegeven op de vraag welke componist in zijn citeren mogelijk over de schreef was gegaan. Alle stukken op het programma lonkten naar de muziekgeschiedenis - de een naar een concrete compositie, de ander naar een vaag klankidioom.

Zo voerde Theatre of Voices geleid door Paul Hillier het door Boeddhistische muziek geinspireerde As I crossed a bridge of dreams van de Australische Anne Boyd uit. Al neuriend worden hier dichte klanken gestapeld die orkestraal kleuren als harpakkoorden. Stokowski's orkestratie van Bachs Toccata en fuga in d getuigde, ondanks de verdienstelijke verdediging ervan door het Residentie Orkest onder leiding van Gennady Rozhdestvensky, van weinig oorspronkelijkheid.

Hiermee vergeleken zijn Bruno Maderna's orkestratie van Josquins Magnificat quarti toni of het door het Schonberg Kwartet uitgevoerde Black Angels van George Crumb (met dwarse Schubert-citaten) veel briljanter. Of neem het Chorbuch van Mauricio Kagel, de componist die op 24 november de Erasmusprijs 1998 ontvangt. Kagels koralen, gezet met een forse knipoog naar Bach, monden steeds weer uit in een eigentijdse grilligheid waarbij zelfs de megafoon niet wordt geschuwd.

Peter Sellars, de tweede winnaar van de Erasmusprijs 1998 opende de expositie Play it again - Variations on Man Ray's Le Violon d'Ingres, een tentoonstelling waarin fotografen commentaar leveren op Man Ray's prent van de dame met de f-gaten op haar rug. Weliswaar was de opening fors vertraagd (een repetitie bij de Nederlandse Opera waar Sellars de regie voert van Stravinski's The Rake's Progress was uitgelopen), maar het was juist deze expositie die de tongen losmaakte: een blote opblaaspop waarvan de gastvrije mond en vagina betiteld worden als f-gaten, een naakte rug waarover glibberige slangen glijden.