De `beste' 145 Nederlandse stukken; Piet Veenstra bezorgt Concertgebouworkest de `Index Veenstranianum'

Het spelen van Nederlandse muziek is voor de meeste Nederlandse zo weinig vanzelfsprekend, dat de overheid hen heeft verplicht er minstens zeven procent van de tijd op het podium aan te besteden. Hoewel het Concertgebouworkest daartegen bezwaar maakte, liet het adviseur Piet Veenstra een lijst maken van goede Nederlandse orkestmuziek. komt die `Index Veenstranianum' tot klinken?

Hij ligt er, de Keuzelijst Nederlandse muziek voor het K.C.O. van Piet Veenstra. Daarop staan zo'n 145 werken van 52 verschillende Nederlandse componisten - bij het Koninklijk Concertgebouworkest goed voor pakweg 40 uur orkestmuziek van vaderlandse origine. Veenstra stelde de lijst samen als besluit van het adviseurschap dat hij een kleine twee jaar vervulde bij het Concertgebouworkest nadat artistiek directeur Jan Zekveld ontslag had genomen. Het orkest kan de komende tien jaar putten uit de lijst, wanneer het Nederlandse muziek wenst te programmeren. Daarnaast geeft het Concertgebouworkest eigen opdrachten aan Nederlandse componisten.

Aad Nuis, de vorige staatssecretaris van OCW verplichtte met steun van de gehele Tweede Kamer de orkesten om vanaf 1 januari 1997 tenminste zeven procent muziek van eigen bodem te spelen. De orkesten reageerden gebelgd, de artistieke autonomie was in het geding. Het Koninklijk Concertgebouworkest zei nog liever de strafkorting van vijf promille op de subsidie te willen slikken, dan te stikken in de bedilzucht van de overheid. De discussie over de Nederlandse Muziek is niet ten einde. Bijna twee jaar na de invoering van de 7 procent-norm bezint de Raad voor cultuur zich nog steeds op een nieuw advies over deze kwestie aan de huidige staatssecretaris Van der Ploeg.

Ondanks de rebellie tegen Nuis vroeg het Concertgebouworkest aan Piet Veenstra een lijst samen te stellen met kwalitatief hoogstaande Nederlandse composities. Veenstra (75) is een autoriteit op het gebied van de Nederlandse muziek. Hij speelde 32 jaar cello bij het Residentie Orkest, waar hij later de artistieke leiding kreeg. Hij was ondermeer de drijvende kracht achter het befaamde lp-project Vierhonderd jaar Nederlandse Muziek, waarvan wereldwijd 55.000 exemplaren werden verkocht en dat intussen deels op cd is heruitgebracht.

Ook was Veenstra programmeur bij het Noordhollands Philharmonisch Orkest en had hij zitting in commissies van Donemus en het Fonds voor de Scheppende Toonkunst.

De lijst van Veenstra, ook wel de `Index Veenstranianum' genoemd, is een opsomming met persoonlijke voorkeuren, maar toegesneden op het Concertgebouworkest. Veenstra: “Ik heb me geconformeerd aan het feit dat het gezelschap liever geen oude muziek speelt en benauwd is voor te moderne muziek. Het Concertgebouworkest is het Rijksmuseum der Nederlandse orkesten. Dat bedoel ik niet denigrerend, maar het loopt niet voorop. Vaak voert het orkest pas stukken uit als die zich elders hebben bewezen.'

Veenstra opteert voor een brede historische periode, die begint met Sweelincks Chromatische fantasie van Sweelinck (1562-1621) in een bewerking voor strijkorkest door Bernard van den Sigtenhorst Meyer (1888-1953) en chronologisch eindigt met het Pianoconcert van Klaas de Vries, dat ruim een week geleden bij het Concertgebouworkest in premiere ging. Daartussen zijn werken te vinden van Willem de Fesch, de negentiende eeuwers Johan Willem Wilms en Johannes Verhulst, de 20ste-eeuwers Alphons Diepenbrock Willem Pijper, Matthijs Vermeulen, Hendrik Andriessen en Rudolf Escher en de hedendaagse componisten als Peter Schat, Tristan Keuris, Otto Ketting, Peter-Jan Wagemans, Ton de Leeuw, Klaas de Vries, Wim Laman, Guus Janssen, Theo Verbey, Willem Jeths en vele vele anderen.

Veenstra: “Ik vroeg me natuurlijk af, wat er met die lijst zou gaan gebeuren. Of die niet meteen in de la zou belanden. Daarom suggereerde ik een commissie in te stellen met bestuurslid Ton Hartsuiker en orkestlid Werner Herbers. Zo zou het bestaan van deze lijst zowel bij het bestuur als bij het Artistiek Beraad bekend zijn.

Uiteindelijk hebben de andere leden gezegd: `maak jij 'm nou maar'. Dat is de reden dat juist mijn naam zo prominent boven de lijst staat. Het is mijn lijst; er zijn andere lijsten denkbaar.

“We hebben in Nederland geen Brahms, geen Mahler. Er zijn maar twee componisten van internationale statuur: Sweelinck en Vermeulen. Daarnaast is er echter veel de moeite van het aanhoren waard, al moet je zorgvuldig zoeken. Maar in plaats van een niemendalletje van Stamitz kun je beter een symfonie van Fodor of Verhulst programmeren. Of neem de Symfonie op. 23 van Wilms: als je niet beter weet, hoor je daarin een vroege Beethoven.

“Er is een belangrijk punt dat je moet oplossen wanneer je met zo'n lijst begint, namelijk de vraag welke componist Nederlander is en welke niet. Een componist die van buitenlandse origine is, maar die hier lang heeft gewoond en heeft deelgenomen aan het Nederlandse muziekleven, die vind ik een Nederlander. Dus Julius Rontgen: ja. Frank Martin: nee. Fodor ja. Wilms ja.

“Het is verder een strategisch samengestelde lijst. Het Concertgebouworkest heeft Vermeulen nooit willen uitvoeren, ze zien me aankomen als ik alle zeven symfonieen van Vermeulen opschrijf. Ik heb mij beperkt tot de Tweede tot en met de Vierde symfonie. De Tweede is voor het publiek de beste start, die komt direct over. De Derde is moeilijker, die dramt wat meer door. Je moet het publiek een kans geven - `opvoeden' vind ik een verkeerd woord - met programma's waarin de muziek in de juiste context wordt geplaatst. Geen reservaatprogramma's met alleen gecompliceerde modernisten, geen sandwich-formules. Het publiek hoeft niet alles mooi te vinden; als je naar een tentoonstelling gaat, vind je ook niet alles mooi.

“Ik ben verder de mening toegedaan dat orkesten tegenwoordig best weer barokmuziek mogen uitvoeren. Van Wassenaer is mogelijk, Hellendaal eveneens. Ik ben van mening nu de `betweters' van de historische uitvoeringspraktijk in de richting van de romantiek zijn opgeschoven, de symfonieorkesten weer naar de barok mogen kijken.'

Op de vraag of hij goede hoop heeft dat de stukken van zijn keurlijst ook daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd, schudt Veenstra meewarig het hoofd. “Daarover ben ik pessimistisch.' De lijst is al in mei naar het Concertgebouworkest gestuurd, maar van het orkest heeft hij nog geen reactie mogen ontvangen. Bij monde van adjunct-directeur Sjoerd van den Berg laat het orkest weten de Index Veenstranianum als `programmatisch referentiekader' te zullen gebruiken. Een plan de campagne is niet ontwikkeld, maar Van den Berg attendeert op de uitverkochte A-serie van het orkest.

In deze serie ging zojuist het Pianoconcert van De Vries; later in het seizoen zullen de Zes symfonische epigrammen van Willem Pijpers (niet op de Veenstra-lijst) worden uitgevoerd en Kom, over de zeeen van Otto Ketting (wel op de lijst). Ook zullen het Vioolconcert van Theo Loevendie (op de lijst) en een nieuw werk van Richard Rijnvos (niet op de lijst) ten doop worden gehouden. De Index Veenstranianum is nog niet in de la beland, maar pas begin volgend jaar, bij de bekendmaking van de concertprogramma's voor het seizoen 1999-2000 zal blijken in hoeverre het Concertgebouworkest serieus omgaat met de Keuzelijst Nederlandse muziek van Piet Veenstra.