Conservator klapt voor zichzelf

Tentoonstelling: Voorbij de kunst. Museum van Hedendaagse Kunst, Antwerpen (MUHKA)

Drie zalen van het MUHKA in Antwerpen worden doorkruist door staalkabels waaraan geelgeschilderde platen hangen. Ze zijn bedekt met een laagje vilt, en dienen als drager voor boeken en documenten, of als paneel voor kunstwerken en foto's.

De drukte van gespannen kabels en zwevende vlakken geeft het MUHKA de aanblik van een jachthaven. Dat is misschien ook de bedoeling van Peter Weibel, kunstenaar, publicist en curator van Voorbij de kunst, een tentoonstelling over de `onbekende cultuurgeschiedenis' van Oostenrijk en Hongarije in de 20steeeuw. Weibel presenteert geen statisch beeld van beide culturen, en belicht bijvoorbeeld diverse wetenschappers en cultuurdragers die in ballingschap werkten. Meer nog, Voorbij de kunst gaat aan bijna alle grenzen voorbij, die tussen landen, media en disciplines. We zien schilderijen, maquettes en vazen, als ook video's computerkunst en bewegende sculpturen. Kunstwerken worden afgewisseld met theoretische schema's en wetenschappelijke publicaties.

Voor wat de kunst betreft, legt Weibel de nadruk op analytische tendenzen, waardoor diverse grote namen uit de Oostenrijkse kunstgeschiedenis ontbreken. Klimt en Schiele moeten plaats maken voor abstracte kunst uit de jaren twintig waaronder bewegingstudies en streng geritmeerde composities van het zogenaamde Weense kinetisme. De Hongaarse avantgarde van de andere kant blijkt wel meer te omvatten dan Laszlo Moholy-Nagy, veruit de bekendste van de Hongaarse constructivisten. Naast zijn werk hangen zeefdrukken en linosnedes van Lajos Kassak en Bela Uitz. Andor Weininger had vast banden met `De Stijl' - een van zijn werken heet immers De Stijl Komposition. Even verder hangt een `rose-blauwe compositie' van Lajos Tihanyi mooi te wezen. Erg mooi zelfs, maar waar hoort die man precies thuis, en wie zijn al die onbekende Hongaren?

Een rode draad is er wel in deze presentatie, namelijk de link tussen kunst en wetenschap. In de eerste zaal worden boeken en documenten van psychoanalytici uit Wenen en Boedapest gevolgd door foto's van extreem lichamelijke performances uit het `Weens Aktionisme`.

De tweede zaal heet `analyse van het kijken' een thema dat op een of andere manier te maken heeft met plannen en maquettes van architecten als Friedrich Kiesler en Gunther Domenig abstracte kunstwerken uit het Interbellum en voorwerpen van de Weense Jugendstil. In de derde en laatste zaal slaat Weibel helemaal op hol, en bekogelt hij vooral naoorlogse kunstwerken met verwijzingen naar wetenschapstheorie, kwantumfysica, speltheorie en cybernetica. De interdisciplinaire wildernis is ondertussen compleet.

Peter Weibel is een ambitieus man. Hij wil erfgoed aan de vergetelheid ontrukken. Hij toont wel interessant en minder bekend werk, alleen puzzelt hij zich zo te pletter dat de tentoonstelling niets meer zegt. Het verband tussen kunstwerken en wetenschappelijke disciplines blijft steken in een pseudo-geleerde mist van dichtgeklapte boeken, documenten en oude wetenschappelijke artikelen.

In het voorwoord van gids en boek geeft Weibel bovendien zijn eigen kijk op de zaak. Volgens hem was de clichematige klemtoon op het expressieve en emotionele van de Oostenrijkse kunst alleen maar goed om de abstracte, analytisch ingestelde kunst te dwarsbomen. Een complot, jawel. Maar misschien klopt Weibel die slachtofferrol gewoon wat op, om vervolgens als dappere pleitbezorger het applaus in ontvangst te nemen. In het boek merkt hij bijvoorbeeld op dat de term `Wiener Aktionismus' in 1969 `door Peter Weibel bedacht' werd. Ook de kunstenaar Weibel is overal aanwezig in het boek. Uitgaande van het aantal vermeldingen in deze publicatie moet Weibel zo ongeveer de belangrijkste figuur zijn uit de gedwarsboomde Oostenrijkse kunstgeschiedenis. Veel hou je dus niet over aan Voorbij de kunst, behalve de naam van de curator.

    • Dirk Pültau