Chawadja moet op het tapijt zitten

De Tweede Ronde, Israel-nummer, Herfst 1998 Uitg. G.A. van Oorschot.

De literatuur van een heel land introduceren is niet gemakkelijk, zeker niet als men zich ten doel stelt alleen de modernste ontwikkelingen en alleen de minder bekende schrijvers aan bod te laten komen. De Tweede Ronde durfde dat allemaal aan: Israelische literatuur uit de jaren tachtig en negentig, zowel geschreven in het Hebreeuws, het Russisch, als het Arabisch, de drie `grote' talen in Israel.

Wie dus denkt David Grossmann, Meir Shalev of Yehuda Amichai aan te treffen komt bedrogen uit. Dat is eigenlijk wel leuk, want hun werk was allang in Nederland bekend en men zou best eens willen weten hoe er verder in Israel geschreven wordt.

Elke taal wordt voorafgegaan door een inleiding waarin geprobeerd wordt tendensen en bewegingen aan te wijzen. Maar de interessantste schrijvers zijn vaak geen tendens, die zijn zichzelf. Wie van een afstand kijkt heeft het bovendien gemakkelijk eerder over maatschappelijke dan over literaire verschijnselen. Zo schijnt in de Hebreeuwstalige literatuur een duidelijke belangstelling voor vrouwen- homo- en zelfs androgyne literatuur te bestaan. De Hebreeuwse verhalen die volgen zijn niet specifiek vrouwen of homo of androgyn van karakter maar ze zijn weinig verrassend of verheugend. Een ervan is zelfs, zoals de redactie met trots en verbazing over zichzelf aankondigt, `het eerste postmodernistische verhaal in DTR'. Nu, dat is geen experiment om vaak te herhalen. Op het moment dat het verhaal, dat verder keurig ouderwets is, zich in een of andere richting zou moeten ontwikkelen, geeft de schrijver het op en komt met niet meer dan een schema met `mogelijke voortzettingen'.

De poezie is aardiger. Eytan N. Glass schrijft gedichten die het midden houden tussen verhalen en poezie. Op wonderlijk lichte toon vertelt hij over de dood van zijn moeder en over de herinneringen daaraan, die niet samenvallen met zijn woorden en die ook los staan van het bandje met haar stem dat hij heeft gemaakt.

De Palestijns-Israelische literatuur lijkt wel enigszins opzettelijk naief-folkloristisch: `Kom binnen, chawadja, welkom... Trek uw schoenen uit en ga zitten, op het tapijt in het midden van de salon.' Waar moet de chawadja zitten? Op het tapijt midden in de salon.

`Welkom, kom binnen.' De gekozen arabischtalige poezie is nogal romantisch, al zet die soms sterk in: `Mijn moeder bereidde mijn leven op de bakplaat/ en bood het me aan met olijfolie en tijm.' De arabische gedichten lijken beter vertaald (door Richard van Leeuwen) dan de Hebreeuwse, of ze hebben gewoon van zichzelf een sterkere toon, dat kan ook. Vertaalde poezie blijft toch moeilijk, vooral bij sterk metrische, rijmende gedichten. Die worden vertaald vrijwel altijd gewrongen en verliezen nu juist datgene wat ze bijzonder maakte. Dat geldt helemaal, zoals blijkt bij de Russisch-schrijvende Igor Goeberman, als het grappig bedoeld is. In Rusland schijnt hij volle zalen te trekken met zijn `satirische' gedichtjes. Dat is voor de Nederlandse lezer moeilijk voorstelbaar: `In Rusland leeft een stil verlangen/ naar het verlossend nieuwsbericht:/ de jood is eindelijk gevangen/ aan wie al die ellende ligt.'