WAT IS GOED, WAT SLECHT; Basisschool kan niet op alle onderdelen hoog scoren

Op de basisschool krijgen de kinderen meer vaardigheden aangereikt. Die komen goed van pas bij de `doe-vakken' in het middelbaar onderwijs.

DE ENE Arnhemse basisschool zou je een eliteschool kunnen noemen. Zij doet niet zoveel aan spelling en grammatica. Beschikkend over een ruime begroting stelt deze school haar eigen prioriteiten: de leerlingen gaan op excursie, ze maken muurkranten en videofilmpjes. Elders in Arnhem staat een andere basisschool. Die stopt juist veel tijd in taalonderwijs: systematisch werkwoorden vervoegen en teksten samenvatten.

De brugklassers die van de eerste school komen, maken veel spelfouten, maar ze zijn in staat zelfstandig te werken. De kinderen van de tweede school hebben het spellen beter onder de knie, maar nemen zelden het initiatief. Toch zijn het allebei goede scholen, vindt brugklas-conrector W. de Visser van het Arnhemse Lorentzcollege. Van beide basisscholen ziet hij jaarlijks de leerlingen binnenstromen. ``Het is een kwestie van kiezen, een school kan nu eenmaal niet alles.'

Verwarring alom deze week over de kwaliteit van de Nederlandse basisscholen. Aanleiding was het eerste verslag van de Onderwijsinspectie over haar nieuwe werkwijze: 150 basisscholen heeft ze vorig jaar onderworpen aan een `integraal schooltoezicht', bestaand uit een intensief driedaags bezoek, dat leidde tot een `sterkte-zwakte analyse' van de school als geheel. De inspectie gaat basisscholen voortaan als afzonderlijke eenheden beoordelen. Wie de conclusies per onderdeel extrapoleert naar alle 7.000 basisscholen, komt tot de onthutsende slotsom: de helft van de scholen geeft geen goed rekenles; ruim de helft van de scholen weet de leerlingen niet te motiveren. Het basisonderwijs anno 1998 heeft, zo lijkt het, niet veel te betekenen.

RAPPORTEN

Maar dat is te negatief, vindt coordinerend onderwijsinspecteur C.

Hoffmans. Een basisschool kan bijvoorbeeld goed zijn in het leren lezen en rekenen, maar zwak in geschiedenis, terwijl aan de individuele leerling betrekkelijk weinig aandacht wordt besteed. Dat wil echter niet zeggen dat de school als geheel slecht is. Vijf procent van de Nederlandse basisscholen presteert op alle onderdelen onder de maat, schat Hoffmans. Twintig procent scoort op alle fronten goed. De rest, driekwart, zit daar tussenin.

Jarenlang werd de kwaliteit van het onderwijs gemeten aan de hand van thema's en uitgedrukt in landelijke gemiddelden die belandden in rapporten: tweederde van de basisscholen, zo was de conclusie, leert de leerlingen onvoldoende begrijpend lezen. Maar om welke scholen het ging en wat begrijpend lezen nu precies was (tekstverklaring), was veel ouders niet duidelijk. Zowel ouders als scholen hebben er baat bij te weten hoe scholen presteren, is nu de redenering. Ouders willen dat graag, zo blijkt uit de overweldigende belangstelling voor ranglijsten van middelbare scholen en de officiele zogeheten `kwaliteitskaart'.

Basisscholen worden nog nergens onderling vergeleken, maar hun plicht om informatie aan ouders te verschaffen is sinds vorig jaar in de wet verankerd. Ze moeten vanaf 1999 om de vier jaar een schoolplan maken waarin ze het beleid uiteenzetten. Daarnaast zijn ze verplicht jaarlijks aan de ouders een schoolgids uit te reiken, waarin aandacht dient te worden besteed aan de pedagogische grondslag, de schoolresultaten en extra activiteiten. Het ministerie van Onderwijs geeft ook nog de Basisschool Gids uit die ouders algemene tips aanbiedt over de schoolkeuze en hen wijst op hun rechten en plichten. De resultaten per school van de nieuwe `integrale' inspectiebezoeken zijn niet openbaar, maar het schoolbestuur en de medezeggenschapsraad beschikken er wel over.

Wanneer geldt een basisschool dan als `goed'? Dat ligt aan haar prioriteiten, vindt directeur E. Driesprong van het Christelijke Lyceum in Arnhem. ``Vroeger leerde je op de basisschool netjes schrijven, feiten in het hoofd stampen en taken oefenen. Nu krijgen kinderen meer vaardigheden aangereikt: de bibliotheek in, samenwerken, vertellen over hun werkstuk. Brugklassers beheersen de grammatica minder goed dan voorgaande generaties, maar in de eerste drie klassen van de middelbare school zijn ze beter voorbereid op de vele `doe-vakken', waarin het dus vooral aankomt op die praktische vaardigheden. Als een school slaagt in wat ze zich ten doel stelt, dan is het een goede school.'

TWEE CRITERIA

Het gaat om twee criteria, wat de Inspectie betreft. De resultaten van een school - meestal uitgedrukt in CITO-eindtoetscijfers - en de manier waarop les wordt gegeven. Het eerste is het resultaat van het tweede en toch zijn er scholen, volgens Hoffmans, die goede resultaten behalen terwijl ze niet altijd even goed lesgeven. In de tweejaarlijkse inspectiebezoeken die basisscholen voortaan kunnen verwachten, zal de inspecteur een dag praten met leraren en de schoolleiding, daarnaast bezoekt hij lessen. Zo moet hij inzicht krijgen in het reilen en zeilen van de school. Alleen als hij daarna zorgen of twijfels heeft, komt hij terug voor een `integraal toezicht', van drie dagen.

Een goede basisschool is er vooral een die de zwakste leerlingen bij de les weet te houden, vindt brugklas-conrector De Visser op het Lorentzcollege. Op grond van die gedachte heeft hij kritiek op de beoordeling van de Inspectie, die gegevens turft over zowel basis- als middelbare scholen. ``Als je een paar leerlingen een jaartje laat zitten, omdat je ziet dat zij nog niet aan overgaan toe zijn, krijg je tegenwoordig het stempel: `Zwak, te veel zittenblijvers'.

Dat oordeel wordt nu openbaar gemaakt over middelbare scholen. Voor de basisscholen geldt dat niet, die kregen afgelopen week en masse via de media te horen dat ze het niet goed doen. Ik vind dat we als scholen een maatschappelijke taak hebben - iedereen op het goede spoor houden om de sociale veiligheid te waarborgen. Als we daarin slagen zijn we al heel ver.'